(vanaf omstreeks 1269) |
|
|
|
deel I | > deel II![]() kaart met het Koninkrijk Kongo ("Kongo Kingdom") in donkergroene kleur Het brede publiek verkeert in de mening dat de evangelisering van de huidige D.R. Congo op gang kwam naar het einde toe van de 19de eeuw, met de Belgische kolonisatie. Maar 500 jaar eerder al had er een "première évangélisation", een éérste missioneringsgolf plaats in wat toen het koninkrijk Kongo heette. Dat machtige en hoogst ontwikkelde Rijk, ontstaan omstreeks 1400, strekte zich op zijn hoogtepunt uit van de Atlantische Oceaan (ten westen) tot de Kwango rivier (ten oosten), en van de Congostroom (ten noorden) tot de Loje rivier (ten zuiden). Zowat 1/3 van het grondgebied omvatte het zuidelijke gedeelte van de huidige D.R. Congo, nl Beneden-Congo (of Bakongo) en Kwango. Het grootste deel van het Congo-rijk, inclusief de hoofdstad Mbanza (=hof) Kongo, zetel van de koning (= Mwene Kongo), lag in het huidige Angola. de eerste missionering vanuit Portugal (1482 - 1640)![]() gedetailleerde kaart van het koninkrijk Kongo 1482 - De bekende Portugese zeevaarder Diego Cão ontdekt de monding van de Nzandi (later verbasterd tot Zaïre, de huidige Congostroom) en maakt er vluchtig kennis met het koninkrijk Kongo. Drie jaar later, in 1485, keert Cão terug met 4 leden van de Derde Orde van St. Franciscus (Tertiarissen). Hij werpt het anker in Mpinda, aan de oever van de Kongostroom, en stuurt de 4 missionarissen, als gezanten van de Portugese koning João II (1481-1495) naar de hoofdstad Mbanza Kongo, 400 km verder landinwaarts. ![]() de residentie van de koning van Kongo in São Salvador (tekening van O, Dapper, 1677) 1487 - Tijdens zijn 3de reis landt Cão met zijn vloot in Mpenda, in de noordelijke provincie Soyo, en onmoet in Mbanza Kongo de Kongolese koning, Nzinga a Nkuwu, die de wens uitspreekt om christen te worden en vraagt om bijkomende Portugese missionarissen te zenden én ook vaklui om kerken te bouwen. De koning stuurt zelfs een persoonlijke gezant en enkele zwarte jongelui mee voor godsdienstonderwijs in Portugal, die in 1489 worden gedoopt aan het koninklijk hof in Lissabon: de éérste christelijke kongolezen!! ![]() de Koning van Kongo (ets van Allain Manesson, 1685) 1491 - De gedoopte Kongolezen komen terug, in het gezelschap van een aantal missionarissen: kanunniken van St.-Jan de Evangelist, Franciskanen, Dominikanen, Tertiarissen en seculiere priesters. Ze gaan aan land in Mpenda, in de provincie Soyo. Begin april worden het opperhoofd van de Soyo-provincie en diens zoontje gedoopt en dragen de nieuwe missionarissen er een mis op: de éérste doopsels en misviering in Kongo zélf! Op 3 mei laat de Kongolese koning Nzinga zélf zich dopen, samen met een groot aantal familieleden, hovelingen en edelen. Ook de koningin en haar zoon Mvemba Nzinga, voortaan Affonso geheten, worden een tijdje later afzonderlijk het doopsel toegediend. In de hoofdstad verrijst een eerste stenen kerk, toegewijd aan de "Boodschap aan Maria".
tussen 1492 en 94 - Tijdens een bootreis van de Portugezen naar Lissabon wordt de Kongolese koning afvallig van het christendom en neemt opnieuw zijn toevlucht tot tovenaars, terwijl de koningin en haar zoon Affonso daarentegen trouw blijven aan haar doopsel. De christelijke prins Affonso moet in ballingschap gaan naar zijn noordelijk gelegen provincie Nsundi (die een groot deel van het huidige Neder-Congo omvatte). Geholpen door Portugese missionarissen begint hij er aan de bekering van de verscheidene volksstammen en hoofdmannen. Regelmatig stuurt de nieuwe Portugese koning Manuele missionarissen en ook onderwijzers naar Kongo. Inmiddels maakt de andere zoon van de koning, Mpanzu a Nzinga, zich op voor de bestijging van de koninklijke troon, gesteund door de heidense hoofdmannen. 1506 - Maar op zijn sterfbed duidt de koning zijn zoon Affonso aan als zijn opvolger. In de hoofdstad Mbanza Kongo komt het tot zware gevechten tussen de troepenmacht van Affonso en de krijgers van zijn rivaliserende halfbroer Mpanzu. Deze laatste raakt gewond en wordt ter dood veroordeeld. Affonso I wordt de nieuwe koning en zal regeren tot 1543. ![]() puinen van de kerk H. Verlosser van São Salvador (ets, 1886) 1516 - Affonso I roept Kongo officieel uit tot een christelijke koninkrijk. De hoofdstad Mbanza Kongo krijgt een nieuwe naam "São Salvador" (Portugees voor "H.-Verlosser"). Op de plaats waar de "O.L.V.-Boodschap"-kerk stond wordt een grote nieuwe driebeukige kerk "San Salvador"-kerk opgetrokken. Er zijn nog 5 andere kerkgebouwen en een aantal missiescholen, bediend door een 20-tal priesters. Koning Affonso smeekt Portugal om om meer missionarissen te zenden, want er is een nijpend tekort aan christelijke zendelingen in Kongo. Zélf stuurt Affonso I zijn oudste zoon Henrique naar Lissabon om er priesterstudies aan te vatten. ![]() het koninkijk hof van Kongo, met het uitzicht van een labyrint 1521 - Koning Affonso's oudste zoon, de 24-jarige, Henrique, wordt door paus Leo X benoemd tot apostolisch vicaris van Kongo en in Lissabon gewijd tot allereerste bisschop van Kongo en zelfs van het héle Afrikaanse continent. Henrique keert terug naar Kongo, vergezeld van 4 missionarissen (kanunniken van St. jan Evangelist) en zetelt in de hoofdstad São Salvador. In datzelfde jaar 1521 krijgt de kersverse Portugese koning João III van zijn Kongolsese ambtgenoot Affonso I een brief met de vraag om een vloot van meteen 50 missionarissen te sturen. Maar deze smeekbede blijft onbeantwoord. ![]() 1526 - Ook en vooral de toenemende slavenhandel zorgt voor een verkoeling van de relaties tussen beide koninkrijken. Héél equatoriaal Afrika, inclusief het koninkrijk Kongo, valt ten prooi aan roofexpedities van slavenhandelaren uit aanvankelijk Portugal, later ook uit andere Europese landen (Holland, Frankrijk en Engeland). In een brief aan de Portugese koning doet Affonso I doet zijn beklag en verzoekt om aan deze praktijk een eind te maken, maar hij krijgt daarop een cynisch antwoord. ![]() dwarsdoorsnede van een transatlantisch slavenschip (tekening, 1790) De slavenhandel gaat gewoon door (zelfs tot in 1838!!). In ongeveer een eeuw tijd worden naar schatting een half miljoen Kongolezen als slaaf vanaf de Afrikaanse westkust verscheept naar de andere kant van de Atlantische Oceaan, naar Brazilië en naar de Britse kolonies op de Caraïbische eilanden en in Noord-Amerika. Sterk verzwakt door de ontvolking en door invallen van buurlanden, treedt voor het Kongolse koninkrijk een periode in van verval en wordt de bloei van het christendom er geleidelijk afgeremd. 1531 - Bisschop Henrique sterft en koning Affonso I hoopt dat zijn zoon zal worden vervangen door een andere Kongolees. Helaas blijft zijn wens onvervuld. 3 jaar later vallen alle Portugese gebieden in Afrika onder het metropolitane bisdom Funchal, met 4 suffragaan-bisdommen. Een ervan, dat van San Thome, bestrijkt Guinea, Kongo en de hele Zuid-Westkust tot aan de Kaap de Goede Hoop. Aan het hoofd ervan komt een portugees, de deken van de koninklijke kapel in Lissabon. ![]() gezanten van de Portugese koning, ontvangen door de koning van Kongo (17de eeuw) 1543 - Koning Affonso I, "de Apostel van Congo" genoemd, sterft op 80-jarige leeftijd. Zijn zoon en opvolger Diogo I Knumbi legt steviger grondslagen voor de katholieke kerk in het Kongo-rijk. Wegens het steeds nijpende priestertekort stimuleert hij de opleiding van vele leken tot onderwijzers-catechisten ("mestres", letterlijk "meesters" in het Portugees), om zo niet enkel de elite in de hoofdstad maar ook het binnenland, o.m. in het noordelijke Loango, te kerstenen. Deze leken-missionarissen (zeer revolutionair voor die tijd!) krijgen zelfs een salaris van de overheid. In de loop der tijden nemen - weliswaar beperkte - groepen seculiere priesters en leden van verscheidene kloosterorden deel aan het bekeringswerk, o.a. Jezuïeten (1548), Carmelieten (1584), Tertiarissen (1604), Dominicanen (1610), Capucijnen (1645) en Minderbroeders-Recollecten (1674). Maar de missionering verloopt niet systematisch, niet grootschalig, met "ups" en "downs", en bijgevolg oppervlakkig. ![]() doopplechtigheid in Kongo (ets van Pieter van der Aa, 17de eeuw) 1597 - De bisschopszetel van Sao Tomé wordt verplaatst naar São Salvador, en later naar Loanda (Angola). Er bestaan parochies in de hoofdstad van alle Kongolese provincies. Het christendom is redelijk breed - maar zeker niet diepgaand! - verspreid. Het aantal priesters neemt wel toe, maar lang niet in voldoende mate. De opeenvolgende koningen doen er ook hun beklag over in Rome dat Portugal de instroom van missionarissen en de wijding van Kongoleze priesters afremt. De vraag klinkt steeds luider om de oprichting van een autonome Kongolese kerk, los van elke Portugese betutteling. de tweede kerstening door de Kapucijnen (1640 - 1835)![]() de koning van Kongo onthaalt de eerste Kapucijner-missionarissen (ets, 1687) 1640 - De evangelisering van het koninkrijk Kongo krijgt een nieuwe impuls wanneer paus Urbanus VIII er op 26 juni een afzonderlijke apostolische prefectuur van maakt en toevertrouwt aan de paters Kapucijnen. Vijf jaar later arriveert de eerste groep van 12 paters in Kongo, waar ze al gauw in botsing komen met de seculiere priesters, die hen beschuldigen van laksheid en van een te grote verdraagzaamheid tegenover de traditionele inheemse religieuze opvattingen, riten en gebruiken. ![]() processie in Kongo, geschilderd door de Italiaanse Capucijn Giovanni Cavazzi da Montecuccolo (1670) De Kapucijnen krijgen niet echt voet aan de grond in Kongo, omdat ze er niet heen mogen reizen op Portugese schepen. Op een bepaald moment zijn er wel 30 paters, maar dit aantal neemt geleidelijk af tot gemiddeld 3 à 4, soms al eens een tiental voor het héle Kongo-rijk. De weinige aanwezigen richten hun missioneringswerk vooral op de opvoeding van de (politieke) elite. Daarnaast ondernemen ze al eens tochten in het binnenland om er sacramenten toe te dienen, vooral (massa)doopsels. Enkelen verkennen zelfs de loop van de Zaire-stroom (lang voor de ontdekkingsreiziger Stanley in de 19de eeuw). De evangelisatie van Kongo blijft zeer oppervlakkig en sporadisch. ![]() fragment van landkaart Westelijk-Afrika. Amsterdam, Blaeu (1662) 1662 - Koning Antonio I komt aan het bewind en is fel gekant tegen de Portugese plannen om de goudmijnen in Kongo te exploiteren. Portugal verklaart hem de oorlog en verslaat zijn 100.000 man sterke leger tijdens de fameuze slag van Mbwila op 29 oktober 1665. Koning Antonius I wordt onthoofd. Daarna breekt tussen de 3 troonpretendenten een aanslepende bloedige burgeroorlog los, die het missiewerk grotendeels vernielt. De Kapucijnen trekken zich terug in Angola en Loanda, van waaruit ze Kongo nog slechts sporadisch bedienen. ![]() een Kapucijn op zijn missiepost in Kongo. Aquarel, pater Bernardino Ignazio, 1740 (Turijn, Biblioteca Civica)
![]() een Kapucijner-pater draagt de mis op (Aquarel, pater Bernardino Ignazio, 1740) 1716 - Na een halve eeuw chaos wordt een akkoord gesloten tussen de verscheidenene rivaliserende partijen, waardoor opnieuw een centraal gezag ontstaat. Twee eeuwen lang gaat het koninkrijk Kongo verder ten onder door perioden van burgeroorlog en omdat de provincies hun onafhankelijkheid verwerven. De Portugezen en later de Engelsen kiezen en introniseren de Kongolese koning, die nog slechts een eretitel draagt maar geen daadwerkelijke politieke macht meer bezit. Tijdens de 18de eeuw zijn er nog amper Kapucijner-missionarissen, omdat hen door de Portugese autoriteiten de toegang geweigerd wordt tot Centraal-Afrika.
1835 - Uiteindelijk wordt de laatste Kapucijn, de apostolische prefect pater Serefino, door de Portugezen uit Kongo gewezen. Hij is de laatste in de rij van in totaal 420 (overwegend Italiaanse) Kapucijner-paters, die sinds 1645 in Kongo hebben gewerkt. De Kongolese koning doet vergeefs een beroep op Portugal om missionarissen te sturen. Langzaam valt de kerk terug in de totale vergetelheid. ![]() Kongo op een Franse kaart van 1829
nieuwe zendingspoging van de Franse Spiritijnen (1865 - 1891)1865 - Na het mislukken van het evangeliseringswerk door de Kapucijnen richten de Franse Paters van de H. Geest (ook Spiritijnen genoemd) een verzoek aan het Vatikaan om de oude Kongo-missie weer op te nemen. Op 9 september vertrouwt Rome hen de uitgestrekte apostolische prefectuur van Kongo toe. Het daaropvolgend jaar al verkennen de eerste 3 Spiritijnen de Afrikaanse westkust.
Hier en daar ontdekken de paters nog overblijfselen van het christendom, dat enkele eeuwen eerder bloeide in Kongo: een aantal vervallen kerken en kapellen en gewijde voorwerpen en devotiebeelden. De Bakongo (bewoners van Beneden-Kongo) houden nog sommige christelijke rituelen in ere, maar ze zijn er de betekenis van vergeten en hebben ze doodleuk geïntegreerd in de voorouderverering en in de magie. De evangelisatie van het uitgestrekte missiegebied in Kongo moet eigenlijk van voren af aan beginnen. ![]() de kerk van Loango, gebouwd in 1885 en gesloopt rond 1980 1873 - De paters Spiritijnen stichten een missiepost in Landana (Loango-Rijk), in het huidige Congo-Brazzaville. Van daaruit dringen ze verder door in het Congolese binnenland.
1877 - Ze ondervinden veel concurentie van de protestantse missionarissen, die kunnen rekenen op de steun van de pas ontscheepte Brits-Amerikaanse ontdekkingsreiziger Henry Morton Stanley (in dienst van de Belgische koning Leopold II). Pas vanaf 1880 kunnen ze het gros van hun missionarissen sturen, in het kielzog van de Italiaanse explorator Pierre Savorgnan de Brazza (die werkt in opdracht van Frankrijk). 1880 - De Paters van de H. Geest - wier leuze luidt: "Pour Dieu! Pour la France" - stichten een missiepost in Boma, waar ze de eerste school op Congolese bodem openen. Later, in 1891, zullen ze deze missie, onder zachte dwang van Leopold II, moeten overlaten aan de Belgische missionarissen van Scheut. ![]() de met pijltje aangeduide missieposten van St.-Paul de la Kasai (Kwamouth) en Brazzaville. Kaart van pater P. Augouard (1886) 1886 - het gebied Loango (ten noorden van de Congostroom) wordt op 23 mei verheven tot apostolisch vicariaat van Frans-Congo, met aan het hoofd de pater Hippolyte Carrie, de eerte bisschop. Datzelfde jaar richt pater Prosper Augouard de missie op van Kwamouth (door hem omgedoopt tot "St.-Paul de la Kasaï"), aan de samenvloeiing van de Congo- en Kasairivier. Eind 1887 brengt hij de missiepost over naar Brazzaville, vlak tegenover Leopoldstad, aan de overkant van de Congostroom. ![]() Mgr Prosper Augouard op de bisschoppelijke draagstoel 1890 - Brazzaville wordt de zetel van het apostolisch vicariaat van Bas-Congo en Oubangui, met Mgr Augouard aan het hoofd. Door de aanhoudende rivaliteit tussen Stanley en de Engelse protestanten enerzijds en Brazza met de katholieke Franse missionarissen anderzijds, verleggen de paters van de H. Geest hun missiegebied meer en meer noordwaarts aan de overzijde van de Congostroom, in de Franse kolonie rondom Brazzaville. De Franse Witte Paters in het oosten van Congo (vanaf 1878)![]() het gebied van het Vicariaat van Opper-Congo, ten westen van het Tanganikameer
1878 - Paus Leo XIII vertrouwt de evangelisatie van Centraal-Afrika toe aan de Franse "Sociëteit der Missionarissen van Afrika" (gesticht in 1868 door kardinaal Lavigerie, aartsbisschop van Algiers en de Primaat van Afrika), die naar hun kledij, de "Witte Paters" worden genoemd. Zij starten op 21 april hun kerstening via de Oostkust van Afrika, eveneens in het kielzog van de ontdekkingsreizigers-zendeling Livingstone en van kolonisten. Ze willen de oprukkende Islam de pas afsnijden, de slavenhandel bestrijden, de bevolking kerstenen en afrekenen met de protestantse concurentie. ![]() kardinaal Lavigerie (1825 - 1892), stichter van "de Witte Paters" 1879 - De eerste karavaan met missionarissen installeert zich nabij Rumonge (Urundi), aan de oostkant van het Tanganikameer. Het jaar daarna dringen 3 Witte Paters het huidige Congo-gebied binnen en richten, ten N-W van het meer, een nieuwe missiepost op in Mulwea, in de Massanze streek. ![]() de Vlaamse missionaris, pater Amaat Vyncke, 2de van links, in 1883 (foto: archief, Generalaat Missionarissen van Afrika, Rome) 1883 - Geteisterd door onophoudelijke razzia's van Arabische slavenhandelaars stichten ze een nieuwe post in Kibanga, in een onafhankelijk gebied ("christelijk koninkrijk") van 10.000 hectaren, bevolkt met gewezen (overwegend jonge) slaven. De paters kopen hen vrij, het leger bevrijdt hen of ze zijn gevlucht. In die Massanze-streek lijkt een missiepost wel op een fort ("boma"). Dat is ook nodig, want de slavenkooplui laten zich niet zomaar van hun buit beroven. De paters worden beschermd door een vrijwilligerskorps, waaronder gewezen pauselijke zouaven. Een van die ex-zouaven is pater Amaat Vyncke uit het Westvlaamse Zedelgem, voormalig onderpastoor in Adinkerke en in Dudzele. Hij overlijdt, op 33 jarige leeftijd, in 1888, als een van de zovele slachtoffers van de verwoestende slaapziekte.
![]() de reispater celebreert de mis in een tent 1885 - De Witte Paters verlaten het "oord des doods" Kibanga, in het hoogst onveilige gebleken Massanze, en stichten een nieuwe post in het rustig en gezonde Mpala, in Marungu-land, ten Z-W van het Tanganikameer. Vanaf nu kunnen ze wat meer het binnenland intrekken en missiewerk verrichten in de dorpen in de brede omgeving. 1891 - Op uitdrukkelijk verzoek van koning Leopold II (die Congo-Vrijstaat als zijn privé-domein verwerft in 1885) vertrouwt kardinaal Lavigerie de Congo-missie toe aan een filiaal van de Congregatie, de "Belgische Witte Paters". In de praktijk houdt dit in dat de Franse Witte Paters in Congo worden geleidelijk vervangen door Belgische confraters. Toch blijft de band met het Franse moederklooster behouden en wil de congregatie helemaal niet geïdentificeerd worden met de koloniale machthebbers. ![]() Mgr Victor Roelens, apostolisch prefect van Boudewijnstad, de allereerste bisschop in Congo 1893 - De Westvlaamse Witte Pater, Victor Roelens, afkomstig uit Ardooie, kiest een definitief hoofdkwartier voor de Witte Paters in Kirungu, gelegen op een hoogvlakte nabij het Tanganikameer, dat hij omdoopt tot Boudewijnstad. ![]() de brede laan naar de kerk van Boudewijnstad 1895 - Het Vaticaan verheft het hele gebied tussen het Tanganikameer (ten oosten) en de Luluaba-rivier (ten westen) tot apostolisch pro-vicariaat van Opper-Congo, dat het daaropvolgend jaar al wordt ingericht tot volwaardig apostolisch vicariaat. Aan het hoofd ervan komt Mgr Victor Roelens, daarmee de allereerste bisschop in Congo. Boudewijnstad, de zetel van het vicariaat, bezit uitgestrekte landerijen, bloeiende scholen, een Groot Seminarie voor de inlandsche geestelijkheid met vier seminaristen en... een indrukwekkende kerk. ![]() inlanders aan het werk op de missiepost van Boudewijnstad
in de Congo-Vrijstaat onder Leopold II (1885 - 1908)![]() de Conferentie van Berlijn (1884-85)
1884-85 - Op de Conferentie van Berlijn (1884 - 1885) wordt Congo, als "Onafhankelijke Congostaat" ("Etat Indépandant Congolais", kortweg EIC) of "Congo Vrijstaat", toegewezen aan de Belgische koning Leopold II. Koning Pedro van het ooit zo machtige Kongo-rijk mag voortregeren... als vazal van Portugal. Na een opstand, in 1914, zal hem zelfs de (puur symbolisch geworden) titel "Koning van Kongo" worden ontnomen. Artikel 6 van de "Akte van Berlijn" (26 februari 1885) belooft duidelijk dat "de souvereine machthebbers alle religieuze, wetenschappelijke en liefdadige instellingen zullen beschermen en aanmoedigen, zonder onderscheid van nationaliteit of cultus". De Akte waarborgt alle inwoners van Congo-Vrijstaat, zowel inlanders als buitenlanders, een totale vrijheid van geweten en godsdienst. De openbare uitoefening van elke cultus en de oprichting van religieuze bouwwerken - ook die van de protestanten - mogen aan geen enkele beperking onderworpen zijn.
![]() koning Leopold II Maar Leopold II, die alle buitenlandse, zowel protestantse als katholieke, missionarissen wantrouwt als mogelijke pottenkijkers, laat zich weinig gelegen aan de mooie intenties van de "Akte van Berlijn" en schrijft in een brief aan de diplomaat Lambermont: "Ik sta erop dat onze Congo wordt gekerstend door Belgen". Hij wendt alle middelen en invloeden aan om Belgische orden en congregaties voor zijn Vrijstaat te interesseren. Hij belooft dat ze mogen rekenen op zijn speciale bescherming en op allerlei materiele en financiele voordelen, o.m. honderden hectaren grond per missiepost.
![]() het klooster van Scheut in Anderlecht 1886 - Na herhaaldelijk persoonlijk aandringen van de koning aanvaardt de "Congregatie van het Onbevlekt Hart van Maria", (CICM), kortweg "Scheut" - naar de plaats van het hoofdklooster in de wijk Scheutsveld in Anderlecht - om missionarissen te sturen naar Congo. 1888 - Op vraag van de Belgische bisschoppen richt paus Leo XIII het "Apostolisch Vicariaat van de Onafhankelijke Congostaat" op en vertrouwt dit exclusief toe aan de Scheutisten. De jonge Congregatie staat voor een ontzaglijke taak want het vicariaat beslaat aanvankelijk het héle grondgebied van de Vrijstaat, met uitzondering van het "Pro-Vicariaat van Opper-Congo" ten westen van het Tanganikameer, waar de Witte Paters hun posities behouden. ![]() Op deze kaart uit de tijd van Congo Vrijstaat wijst een pijl Sint-Maria-Berghe aan, aan de monding van de Kasai-rivier in de Kongostroom, waar de eerste missionarissen zich vestigden
1888 - Uit Antwerpen vertrekt een eerste groep ("caravane sacrée") van 4 Waalse scheutisten (o.m. pater Emeri Cambier) naar de Congo Vrijstaat. Via Boma en Leopoldstad, bereiken ze de samenvloeiing van de Congo- en de Kasai-rivier en installeren zich in St-Maria-Berghe, aan de overkant van Kwamouth, waar de Franse Paters Spiritijnen tot 1886 een missiepost hadden. ![]() de eerste missieposten van Scheut langs de Congostroom 1890 - Een tweede groep Scheutisten, onder leiding van pater Camille Van Ronslé uit Lovendegem, komt aan in St.-Maria-Berghe, vanwaar de paters Cambier en Van Ronslé stroomopwaarts trekken en een 2de missiepost aan de Congostroom beginnen in Bangala, omgedoopt tot "Nieuw-Antwerpen" ("Nouvelle-Anvers"). Nog andere missieposten van Scheut volgen: Leopoldstad (1899), de oude hoofdstad Boma (1891) en Luluaburg (1891) in Opper-Kasai. ![]() Mgr Camille Van Ronslé 1896 - Pater Van Ronslé wordt benoemd tot eerste Apostolische Vicaris van het "Vicariaat van de Onafhankelijke Congostaat", installeert zich na zijn wijding in Sinte-Maria-Berghe en verplaatst 3 jaar later zijn bisschopszetel naar Leopoldstad. Inmiddels neemt de missionering steeds sneller uitbreiding en kan zelfs de bloeiende Congregatie van Scheut het werk in het uitgestrekte Congo niet helemaal alleen meer aan. Tal van andere Belgische (mannelijke en vrouwelijke) orden en congregaties worden stilaan ingeschakeld. In chronologische volgorde zijn dat:
![]() het visserdorp Kinshasa in 1885, dat zal uitgroeien tot Leopoldstad Tijdens de periode van Congo-Vrijstaat kunnen we 3 fasen onderscheiden in de kerstening:
![]() leerlingen op de school van de protestantse missiepost Ikao in Basankusu De beschaving brengen bij de "heidense" zwarten is in de beginjaren de eerste bekommernis. Door bekering proberen de missionarissen de traditionele gewoonten en inlandse instituties (polygamie), die niet stroken met de christelijke leer, te bannen. Omdat de Congolese cultuur nog niet naar waarde wordt geschat, gaan zo heel wat elementen van de traditionele godsdienst en inheemse cultuur verloren. Het onderwijs is geen prioriteit in het missiewerk, maar ondergeschikt aan het bekeringswerk (toedienen van sacramenten). De zowat 400 katholieke missionarissen hebben bij het begin van de 19de eeuw zo'n 19.400 leerlingen, terwijl de 200 protestantse zendelingen 26.700 leerlingen onder hun hoede hebben! 1905 - Op een belangrijke vergadering in Heverlee doen de oversten van de missionerende instituten hun beklag over toenemende bemoeizucht, tegenwerking en pesterijen van de koloniale gezagsdragers. In een gezamelijk memorandum ventileren ze hun ongenoegen en belangrijkste verzuchtingen, o.m. schenking aan de nieuwe missieposten van grondconcessies in volle eigendom, die sinds 1900 nagenoeg zijn stopgezet, vrijstelling van belastingen op de woonhuizen en prive gebouwen van de missieposten, meer steun in de strijd tegen de slavenhandel, grotere bescherming van het huwelijk in Congo door maatregelen tegen polygamie van de inlanders en tegen het sexueel misbruik van inheemse vrouwen door sommige kolonialen enz. Een poging om die tekst persoonlijk aan koning Leopold II te overhandigen wordt verijdeld. ![]() kapelhoeve van de Jezuieten In datzelfde jaar komt een rapport uit van de Internationale Onafhankelijke Onderzoekscommissie, dat helemaal niet flatterend is voor het Congo-beleid van Leopold II. De Commissie neemt ook de recruteringsmethoden van de schoolkolonies en kapelhoeven op de korrel. Ze heeft vooral kritiek op de al te westerse interpretatie van het begrip "wees" of "verlaten kind". Bij (sommige) Bantoe-volkeren behoort het kind immers niet, zoals bij ons, exclusief toe aan de ouders, maar aan de familie, aan de hele clan langs moederszijde eigenlijk. Een kind kan pas als wees worden bestempeld wanneer het helemaal geen verwanten meer heeft, in uitzonderlijke gevallen dus. Het is dus niet vanzelfsprekend dat het naar de schoolkolonie wordt gebracht. De commissie is ook niet mals voor de soms al te ijverige (lees: gedwongen) wijze van recruteren van zogenaamde weeskinderen. De missies zouden weeskinderen opnemen, die ouder zijn dan 12 jaar (hoewel ze volgens de wet vanaf die leeftijd vrij kunnen kiezen), of die er tegen hun zin zijn heengebracht. De Commissie heeft het in dat verband over "kinderroof". ![]() Volgens de Commissie kan ook de behandeling van deze "weeskinderen" niet door de beugel. Ze worden onder nauwelijks verholen dwang vastgehouden en - onder het mom van beroepsonderwijs - gebruikt als goedkope arbeidskrachten op het veld en in de ateliers. Omdat de opbrengst van hun werk naar de centrale missiepost gaat, bezitten ze zelf nauwelijks iets en verkeren zo in een sterke afhankelijkheidspositie. Zelden krijgen ze de toestemming om te huwen of naar hun dorp terug te keren. Zij die proberen te vluchten ondergaan lijfstraffen. Deze kritiek wekt tot een storm van protest op bij de missionarissen en hun katholieke achterban in België. In de bevriende pers, in missietijdschriften en in een open brief aan de "Commissie van XIV" (die, in opdracht van Leopold II concrete hervormingsmaatregelen moet uitwerken) bieden de missionarissen heftig weerwerk, met o.m. een lange waslijst argumenten: ![]() groepsfoto van de werkers op een missie-plantage (1903)
![]() algemeen zicht op een missie-plantage (1903) Het rapport van de Internationele Onderzoekscommissie heeft onmiskenbaar de relaties tussen de missies en het regiem bekoeld. Voortaan blijven publieke steunbetuigingen aan het regiem en aan Leopold's "beschavingswerk" achterwege. Integendeel, openlijke kritiek op het regiem wordt niet langer geschuwd. En op het terrein verandert er een en ander. De missies schakelen over van kapelhoeven of schoolkolonies op naar een systeem van plattelandsschooltjes, waar akkerbouw géén onderdeel (meer) is van de opleiding. De kinderen blijven gewoon thuis wonen als externen en volgen de lessen op vrijwlllige basis. Voor het materiële werk wordt een beroep gedaan op bezoldigde jonge arbeiders. 1906 - Op 26 mei wordt een historische Conventie ondertekend door het Vaticaan en Congo-Vrijstaat, waarin enkele (niet alle!) heikele en aanslepende kwesties nu plots in een handomdraai worden geregeld. De Conventie is het startpunt van een periode van een halve eeuw, waarin het politiek bestuur, de bedrijfswereld en de missies in Congo, die samen de zogeheten "koloniale triniteit" vormen, nauw met mekaar zullen samenwerken. Vooral het onderwijs krijgt stevige impulsen. Dit zijn de voornaamste afspraken: ![]()
![]() het domein van een missiepost Enkele dagen later richt Leopold II een brief aan de secretarissen-generaal van de Congo-administratie, met daarin een aantal schuchtere hervomingsdekreten. Twee ervan hebben rechstreeks betrekking op de missies:
![]() een onbekende missiepost (begin 19de eeuw) De RK Kerk in Congo heeft dus onder Leopold II en ook later nog tijdens de Belgische koloniale periode (1980 - 1960) een bevoorrechte status en bezit allerlei privilegies. De katholieke missieposten beschikken over uitgebreide grondconcessies. De missionarissen ontvangen subsidies voor hun werking, hebben het recht om bepaalde staatsfuncties te vervullen (ambtenaar burgerlijke stand voor burgerlijk huwelijk), mogen in het binnenland kosteloos rondreizen, genieten gunstmaatregelen ivm de heffing van invoerrechten en belastingvermindering, beschikken over een virtueel monopolie voor onderwijs en gezondheidszorg, enz. Ondanks deze vele privilegies vordert het bekeringswerk traag. Er zijn in 1900 zowat 30.777 gedoopte katholieken (waaronder 2.600 belgen) en 43.830 catechumenen. Toch merken de Congolozen geleidelijk dat een bekering heel wat voordelen met zich brengt. Bekeerlingen ontvangen nieuwe kennis en materiele voordelen. De blanke is machtig en rijk. Menigeen maakt de (opportunistische) overweging dat men door bekering deelachtig wordt aan die macht en rijkdom. Aan het materiële succes van de blanke (missionaris) te zien moet zijn godsdienst wel bijzonder efficient zijn en levenskracht ontwikkelen (die zich uitdrukt in gezondheid, vruchtbaarheid, rijkdom, beheersing van de "boze machten", enz.). In steeds grotere getale melden kandidaat-christenen zich aan. ![]() rubberoogster in het oerwoud Er heerst lange tijd bij vele Congolezen een diep ingeworteld wantrouwen. De gruweldaden van de rubberontginning, bijv. in de streek van Basankusu, liggen nog vers in het geheugen van grote delende bevolking, die uiterst achterdochtig en zelfs vijandig staat tegenover elke vorm van blanke inmenging. Het land wordt doorkruist door legerpatrouilles en door handelslui, die arbeiders ronselen voor mijnbouw, aanleg van wegen en spoorwegen, vaak vergezeld door een lange karavaan dragers. De blanke is dan ook geen graaggeziene gast en de missionaris is al even verdacht in de beginperiode... In 1906 publiceert de ULB-hoogleraar Félicien Cattier een geruchtmakend boek waarin hij de katholieke missionarissen verwijt dat ze (op enkele uitzonderingen na) de uitwassen van het regiem nauwelijks aanklagen, integendeel zelfs koning Leopold's beleid in het openbaar verdedigen tegen aanklachten. De protestantse zendelingen daarentegen brengen de wantoestanden systematisch in de openbaarheid via de "Congo Reform Association" (CRA) van A.D. Morel in Londen. De katholieke missionarissen zijn door hun stilzwijgen mede-schuldig aan alles wat er fout ging in de periode van Congo-Vrijstaat, zo luidt de stelling van prof. Cattier. Sluiten de katholieke missionarissen de ogen voor de barre werkelijkheid? Of hebben ze gewoon niets gemerkt van de systematische misbruiken van de kolonisatie? Men kan ze niet zomaar bestempelen als collaborateurs met het onderdrukkend Congolees regiem. Er zijn een aantal verzachtende omstandigheden:
![]() missiepost van de Zusters van het H. Hart van Maria uit Berlaar (begin 19de eeuw)
![]() de Congostroom. tekening van ontdekkingsreiziger Richard Burton
deel I | > deel II
|