|
|
![]() tafereel in een middeleeuws stadshospitaal voor zieken Tijdens de Middeleeuwen is de Kerk alomtegenwoordig in het dagelijks leven. De hele samenleving is in al haar geledingen sterk doordrongen van het christelijk geloof. Alles wat men doet of denkt bevat een bijbelse symboliek. Het verzorgen, het geven van onderdak en mondvoorraad aan voorbijtrekkende pelgrims bijvoorbeeld is een vanzelfsprekende uitdrukking van de christelijke deugd van gastvrijheid, een uiting van christelijke naastenliefde ("caritas"). Al vanaf de 7de eeuw is er in de kloosters een vreemdelingenverblijf ("hospitium" in het Latijn, waarvan het latere woord "hospitaal" is afgeleid), dat wordt opengesteld voor bedevaarders, zieken en hulpbehoevenden. Elke onbekende gast moet in een abdij ontvangen worden als ware hij/zij Christus zélf. ![]() Het interieur van de achthoekige slotkapel in Aken (rond 800) 816 - Lodewijk de Vrome, zoon en opvolger van keizer Karel de Grote, roept het "Concilie van Aken" samen. De aanwezige bisschoppen - inclusief die van Doornik, Terwaan en Kamerijk (waaronder Vlaanderen ressorteert) - krijgen de opdracht om op eigen kosten - langs alle grote wegen, bedevaartsroutes en handelswegen - hospitalen (opvangtehuizen) op te richten voor behoeftige reizigers, bedevaarders en later kruisvaarders. ![]() middeleeuwse gasthuizen (gemerkt met geel driehoekje) en St.-Jakobskerken (aangeduid met rood kruisje) in West-Vlaanderen. In Brugge bestond tevens een St.-Jakobsgilde Vooral vanaf de 11de eeuw is er een groeiende mobiliteit in de samenleving en neemt de behoefte toe aan opvangmogelijkheden voor bedevaarders, kruistochters, handelaars, zwervers, gelegenheidsreizigers enz. De gegoeden vinden onderdak in herbergen en logementen, die soms een kwalijke reputatie hebben. Maar arme bedevaarders kunnen nergens terecht. Zo ontstaat langs alle grote verbindingswegen en bedevaartsroutes een netwerk van gasthuizen (= hospitalen) waar de behoeftige pelgrims tijdelijk kosteloos eten en logies krijgen, en waar ze worden behoed tegen de nachtelijke gevaren en tegen de losbandigheid in de taveernen. Het gasthuis ten Bunderen in Moorslede is een van die vele "refuges" die zich ontfermen over de "passsanten". ![]() een werk van barmhartigheid: de hongerigen spijzen Merkwaardig is wel dat de overgrote meerderheid van die gasthuizen voor pelgrims her en der tot stand komt buiten de Kerk en de clerus om. Het zijn wereldlijke overheden (de feodale vorsten, hertogen, plaatselijke heren), of ook nog rijke particulieren (patriciërs, ambachtslui) enz. die de nodige financiële middelen, grond of woonst ter beschikking stellen voor de opvang van bedevaarders en zieken. Ze sporen "mensen van goeden wille", godvruchtige vrouwen of welgestelde leken aan om dat werk in de gasthuizen op zich te nemen. Deze vrijwilligers vormen een soort van semi-religieuze gemeenschap, zonder formele kloosterregel of kerkelijke geloften. Ze kiezen voor een combinatie van vrome levenswandel ("vita apostolica") en christelijke naastenliefde ("caritas"). Om hun caritatief werk te kunnen doen krijgen de bewoners van gasthuizen allerlei privilegies. Ze beschikken over een vrij grote bewegingsvrijheid. De kerkelijke en wereldlijke instanties mengen zich nauwelijks in de gang van zaken of in het dagelijks bestuur. De "meesteresse" van een gasthuis moest wél jaarlijks de rekeningen ter inzage voorleggen aan de overheid, om na te gaan of de geschonken financiële middelen en eigendommen goed werden besteed. Samengevat: geen enkele van de 30 gasthuizen met hospitaalbroeders en -zusters in Vlaanderen ontstaat binnen een bestaand klooster. Het zijn aanvankelijk allemaal leken-initiatieven, semi-religieuze communauteiten. Men kan dus niet spreken van kloosters die hospitaalzusters worden, maar wél omgekeerd van lekenbroeders en -zusters in een hospitaal die later kloosterlingen zullen worden, vooral Augustijnen en Augustinessen, die zich onderwerpen aan de regel van de H. Augustinus. ![]() een concilie tijdens de Middeleeuwen Vanaf het begin van de 13de eeuw probeert de kerkelijke overheid meer greep te krijgen op de wildgroei van semi-religieuze gemeenschappen (gasthuizen en caritatieve instellingen) en andere niet-erkende varianten van het monastieke leven. Op het Concilie van de Franse bisschoppen in Parijs (1212), op het Concilie van de Noord-Franse bisschoppen in Rouen (1214) en vooral tijdens het 4de Concilie van Lateranen (1215) eisen de kerkleiders dat alle christelijk geïnspireerde organisaties en gemeenschappen zich integreren in de officiële kerkelijke structuren. Ze dienen voortaan een habijt te dragen en de evangelische geloften van kuisheid, armoede en gehoorzaamheid af te leggen. Ze moeten zich onderwerpen aan de jurisdictie van de plaatselijke bisschop, en aan de statuten die hij oplegt, zoniet riskeren ze een veroordeling wegens ketterij, waardoor hun voortbestaan in gevaar kan komen komen. ![]() een arme wordt door een zuster uitgenodigd aan tafel Onder druk van het kerkelijk apparaat schikken de gasthuizen zich, als semi-religieuze communauteiten, naar de besluiten van de Concilies en vormen zich om tot canoniek erkende kloostergemeenschappen. Die onderwerping aan het gezag van de plaatselijke bisschop levert de gasthuizen bepaalde financiële, sociale en godsdienstige voordelen op, die enkel aan kerken en kloosterorden worden toegekend:
![]() het pijltje wijst de plaats aan van het oude St.-Janshospitaal kaart van het oude en nieuwe Jeruzalem (Hermann Guthe, 1883) De kerkelijke statuten van de gasthuizen, ook die van Ten Bunderen, vertonen nagenoeg allemaal een opvallende gelijkenis met die van het St.-Janshospitaal in Jeruzalem. Dat hospitaal was in 1023 gebouwd naast de H. Grafkerk in Jeruzalem door een Italiaanse priester, ten behoeve van de vele pelgrims, met Johannes de Doper als schutspatroon. Na de verovering van de stad door de kruisvaarders in 1099 vermeerdert het aantal hospitaalbroeders sterk. Godfried van Bouillon zet de bestaande instelling om in een ridderorde, de "Johannieters" of "Hospitaalridders van St.-Jan", niet te verwarren met de Tempeliers of de Teutoonse Orde. ![]() De verscheidene ridderorden tijdens de Kruistochten. De 2de van links is een Hospitaalridder van St.-Jan 1113 - Paus Paschalis II erkent de Hospitaalridders en legt hen de regel van de H. Augustinus op. De ridders, die geloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid moeten afleggen, richten zich vooral op de verzorging van pelgrims, zieken en gewonden in hun hospitaal. Daarnaast heeft de Orde stilaan een militaire taak, zoals de beveiliging van de hospitalen en de reizende pelgrims.
|