De Zusters van O.L.V.-ten-Bunderen (vanaf omstreeks het jaar 1269)
Moorslede 1269-1578
Frankrijk 1578-1587
Ieper 1587-1785
Moorslede 1785-2004
Zonnebeke 2004 -
varia

   Zoek op deze site met FreeFind

 

vertaal deze pagina

beluister ClassicFM NL tijdens het surfen, 126 K stereo ('Windows Media Player' vereist)

Het kerkverval en de lekenbewegingen

het feodale stelsel de lekenbewegingen de gasthuizen

de kerkelijke hierarchie
de kerkelijke hierarchie

het verval in de Kerk

Tijdens de Middeleeuwen zit de Kerk helemaal in de greep van het feodaal stelsel. De clerus vormt een bevoorrechte stand met allerlei privilegies. Dat leidt fataal tot wijdverspreide corruptie en tot misbruiken bij de kerkelijke hiërarchie.
  • De bischoppen zijn vazallen van de wereldlijke macht. De vorst mengt zich in de benoemingen en laat daarbij zijn persoonlijke voorkeuren gelden in plaats van de religieuze aanleg en competentie van de kandidaten. Zo worden ook onwaardige geestelijken tot bisschop benoemd. Tal van prelaten bekommeren zich nauwelijks om de zielzorg, maar gedragen zich als heuse edelen: ze richtten toernooien in en trekken zelfs ten oorlog. Hun zucht naar geld en wereldlijke macht is een rampzalig voorbeeld voor geestelijken en leken.

  • Plaatselijke machthebbers kiezen zélf een pastoor of kapelaan voor een kerk of kapel, die ze binnen hun eigen Heerlijkheid hebben opgericht. Geen wonder dat veel van die landelijke geestelijken, door een gemis aan enige opleiding, totaal incompetent en onwetend zijn, onder elkaar kibbelen over hun voorrechten en zich weinig of niet bekommeren om hun parochianen. Sommigen geven publiekelijk aanstoot door een hang naar luxe, gemakzucht of een losbandig leven. Het gebeurt meermaals dat heerszuchtige geestelijken en zelfs leken voor hoge sommen een kerkelijke waardigheid kopen van de vorst (= simonie), en dan op hun beurt geld eisen voor het toedienen van de sacramenten.

    interieur van de romaanse H.-Magdalenabasiliek in Vézelay
    interieur van de romaanse H.-Magdalenabasiliek in Vézelay
    een halte op de bedevaartsweg naar Compostela

  • Op vele plaatsen lijden kloosters onder de bemoeienissen van de plaatselijke landheren. In sommige abdijen beginnen de monniken rijker te leven en de kloosterregel te verwaarlozen. Dat leidt tot allerlei wantoestanden: vrouwenkloosters doen soms dienst als opvangcentra voor ongewenste, zwakzinnige of gehandicapte dochters uit adellijke families.

  • Al deze corrupte situaties hebben vanzelfsprekend hun negatieve weerslag op de grote massa. Veel gelovigen zijn niet eens op de hoogte van de meest belangrijke waarheden van het christendom, kennen amper een paar gebeden, vereren met buitensporige ijver de relieken van heiligen, en cultiveren zelfs resten van oud bijgeloof.

  • Tot overmaat van ramp is het pausdom, dat tegen al deze misbruiken zou moeten optreden, zélf door verval aangetast. De kardinalen kiezen wel een nieuwe paus, maar de vorsten oefenen van buiten af invloed uit. Door de afscheuring van het Oosters Christendom (Orthodoxen), door de aanhoudende (investituur)strijd met de keizer voor de hoogste macht, door het verblijf in Avignon, door de noodlottige afloop van de kruistochten én door het harde optreden van de Inquisitie tegen ketters (zoals de Katharen) die het vaak goed menen, verliezen de opeenvolgende pausen veel van hun aanzien in de Kerk.

hervorming van het kloosterleven

de romaanse kloostergang van de abdij van Senanque
de romaanse kloostergang van de abdij van Senanque

De Benedictijnerabdij van Cluny (Bourgondië) is het middelpunt van een machtige hervormingsbeweging in héél West-Europa. Onder haar invloed worden talloze kloosters invloedrijke haarden van religieus, intellectueel, cultureel en artistiek leven. Deze kloosters zijn exempt, dwz ze komen rechtstreeks onder het toezicht van de paus. Zo zijn ze dus niet langer afhankelijk van de plaatselijke wereldlijke machthebbers en bisschoppen.

In de periode van de Kruistochten (1096-1270) is er

  • de opkomst van de ridderorden (Tempeliers, Hospitaalridders, Teutoonse ridders), religieuze gemeenschappen die het ridder-ideaal en de kloosterroeping in zich verenigden: hun taak bestaat in de verzorging van zieken, pelgrims en armen.

    monnik aan het werk

  • Daarnaast ontstaan nieuwe kloosterorden zoals
    1. de Cisterciënzers, die leven van hun eigen werk op het land en huizen in sobere gebouwen (bijv. de abdij van Ten Duinen in Koksijde)
    2. de Kartuizers die in een kluis een teruggetrokken gebedsleven leiden als kluizenaars, met een strenge zwijgplicht maar met een gemeenschappelijke eredienst
    3. de Premonstratenzers (Norbertijnen) die zielzorg verrichten onder de plattelandsbevolking

  • Nadien komen de bedelorden die leven naar de Regel van Augustinus, zoals de Franciscanen (Minderbroeders), de Dominicanen (Predikheren), de Augustijnen (eremieten en kanunniken) die zich ten dienste stellen van de armsten, en nog later de Karmelieten.

engel, email uit Limoges

semi-religieuze tegenbewegingen van leken

Uit reactie tegen de heersende decadentie in de Kerk ontspruit aan de basis en zelfs aan de rand ervan spontaan een brede waaier van semi-religieuze bewegingen. Het gaat om godvruchtige mannen en vrouwen die een alternatieve kloostercultuur uitbouwen waarin gebed, spiritualiteit en vooral radicale naastenliefde ("caritas") centraal staan. Ze trekken zich terug uit de samenleving om een kleine apostolische gemeenschap vormden. Deze gemeenschappen leven in de overtuiging dat zij de enige ware Kerk van Christus vormen, die breekt met het corrupte monastieke leven, met de incompetente, machtsgeile en corrupte hogere en lagere geestelijkheid. Voorbeelden van zo'n gemeenschapsvormen zijn de begijnen, de derde orde van Franciscus, broederschappen, leprozenhuizen, gasthuisgemeenschappen en andere liefdadigheidsinstellingen.


een pestlijder (. le Chartreux)

De kreupelen (P. Bruegel)

Van een echt kloosterleven is er dus geen sprake. Het gaat om semi-religieuze gemeenschappen, die zich niet verschuilen achter dikke kloostermuren, die geen uiterlijke symbolen van het monnikenbestaan hebben, zoals een uniform kloosterhabijt. Ze onderhouden meestal geen kloosterregel, maar leven slechts enkele praktische afspraken na. De aloude idealen van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid dragen ze hoog in het vaandel, maar ze leggen geen formele kloostergeloften af.

De meeste semi-religieuze bewegingen kenmerken zich door het verlaten van de familie, door het afstand doen van privé-bezit, door een vlucht uit het gewoel van de wereld (de zgn "fuga mundi"), zoals de kluizenaars uit de eerste christenheid. Maar ze keren de maatschappij niet volledig de rug toe. Ze willen als "broeders en zusters" (de lijdende) Christus navolgen en streven een evangelisch geďnspireerd evenwicht na tussen

"de hongerigen spijzen, de dorstigen laven, de naakten kleden, de vreemdelingen herbergen...

  • al biddend de wereld "redden".
  • een algehele daadwerkelijke inzet voor de naaste ("vita apostolica"), werken van barmhartigheid doen, inzonderheid voor de armen, zieken, verstotenen (bijv. pestlijders), uitgeputte pelgrims, enz.

de vrouwen nemen het voortouw

In die hele lekenbeweging spelen de vrouwen een prominente rol. Merkwaardig is dat in een niet bepaald vrouw-vriendelijke samenleving, waarin allerlei vooroordelen en discriminatie wijd verspreid zijn en de vrouw ondergschikt is aan de man. Die nieuwe semi-religieuze gemeenschappen nemen, behalve adellijke juffrouwen, ook burgervrouwen, boerenmeisjes en weduwen op. De Derde Orde-bewegingen, de gasthuizen voor pelgrims en de begijnhoven zijn druk bevolkt door vrouwen. Deze vrouwen leggen geen geloften af, leven niet in afzondering, maar zijn wel actief in de omgeving van hun woning en verzorgen arme, oude en zieke mensen.

...de gevangenen bezoeken, de zieken verzorgen, de doden begraven"
(De 7 werken van barmhartigheid. Miniatuurreeks van Jean Dreux, 1468-1477)

Toch blijft de vrouw een ondergeschikte rol spelen in de officiële kerkelijke hierarchie. Ze kan bijv. wel "meesteresse" zijn van een gasthuis-communauteit en dus volle verantwoordelijkheid dragen voor het dagelijks reilen en zeilen, de zorg voor de pelgrims, de administratie, het beheer van de materiële goederen enz. Maar de geestelijke leiding blijft het monopolie van mannen. De herderlijke taken - sacramenten toedienen, biecht horen, enz - zijn voorbehouden aan een kapelaan of parochiepriester.

Ook in het gevestigde kloosterleven treden vrouwen vanaf de 12de eeuw meer op de voorgrond. Tal van vrouwenkloosters worden gesticht, die zich gedeeltelijk spiegelen aan bestaande mannenkloosters, in het bijzonder de orde van de Benedictijnen en van de Cisterciensers. De bedelorden, zoals de Franciscanen, Augustijnen en Dominicanen, kennen een grote toeloop van vrouwen. In de late Middeleeuwen zijn de vrouwelijke religieuzen groter in aantal dan mannelijke religieuzen!

© Copyright 2007- . Alle rechten voorbehouden. Contact: Wim Wylin