De Zusters van O.L.V.-ten-Bunderen (vanaf omstreeks het jaar 1269)
Moorslede 1269-1578
Frankrijk 1578-1587
Ieper 1587-1785
Moorslede 1785-2004
Zonnebeke 2004 -
varia

   Zoek op deze site met FreeFind

 

vertaal deze pagina

beluister ClassicFM NL tijdens het surfen, 126 K stereo ('Windows Media Player' vereist)

de parochie Moorslede en het bisdom Doornik

De St.-Martinuskerk voor Wereldoorlog I.
De 16de-eeuwse laatgotische St.-Martinuskerk van Moorslede vóór Wereldoorlog I.

I. de parochie Moorslede

Het laat-middeleeuwse Gasthuis Ten Bunderen was gelegen op een oostelijke uithoek van de huidige gemeente Moorslede (in de huidige wijk "De Tuimelare"). De eerste schriftelijke vermelding van Moorslede gaat terug tot het jaar 1085. De schrijfwijze van de plaatsnaam was toen "Morcelede", later ook "Morsclede", "Mo(o)rselede", "Morsleda" of "Morslede". In een oorkonde van 1151 was er voor het eerst sprake van een heerlijkheid en een heer van Moorslede.

De parochie Moorslede dateert officieel van 1188, maar de plaatselijke St.-Martinuskerk allicht al van eeuwen vroeger. Bij de stichting van het Gasthuis Ten Bunderen, halfweg de 13de eeuw, bestond Moorslede als parochie en als heerlijkheid al héél lang. De boeiende kerkelijke geschiedenis van Moorslede heeft de bekende historicus Roger Houthaeve geschetst in zijn boek "Moorslede, het Lievensdorp", waaraan we hier de krachtlijnen ontlenen.

de kersteningsperiode

Onze streken in de Romeinse tijd. Moorslede is met gele stip aangeduid. Abraham Ortelius. Kaart (detail), 1594, Belgii Veteris Typus
Onze streken in de Romeinse tijd. Moorslede is met gele stip aangeduid. Abraham Ortelius, 1594.
Kaart (detail) "Belgii Veteris Typus".

Onze streken, bewoond door de Keltische volksstam van de Menapiërs, werden tussen 58 en 50 v. Chr. veroverd door de Romeinse legioenen van Caesar. Vanaf de 5de eeuw drongen de Franken en vervolgens de Germanen (vooral van Saksische oorsprong) binnen. Hier en daar vestigden ze kleine woonkernen, bestaande uit enkele in hout, leem en stro opgetrokken hutten. Naar alle waarschijnlijkheid ook op het huidig grondgebied van Moorslede, dat in die tijd nog dicht bebost was. Volgens R. Houthaeve vormde die eerste woonkern zich rond de huidige Breulstraat en de St.-Achariushoek (langs de huidige Passendaalsestraat).

St.-Elooi.
St.-Elooi. (Petrus Christus, 1449)
De H. Amandus
St.-Amandus (14de-eeuwse miniatuur).

Het christendom drong al in de 2de helft van de 3de eeuw sporadisch door in onze gewesten, m.n. rond het toenmalig Romeinse verkeers- en handelsknooppunt Doornik. Pas vanaf de 7de eeuw was er sprake van een systematische kerstening van de heidense stammen, namelijk door leerlingen van de vermaarde Ierse monnik-missionaris St.-Colombanus (540-615): St.-Acharius, bisschop van Doornik/Noyon (van 621 tot 639), diens opvolger St.-Eligius of Elooi (van 640 tot 660), en ook St.-Amandus van Gent (600-679), de "patroon van Vlaanderen" genoemd. In Vlaanderen zijn dan ook vele kerken en kapellen toegewijd aan deze 3 heilige bisschoppen.

Luchtfoto van de St.-Achariushoek in Moorslede (Bing Maps)
Luchtfoto van de St.-Achariushoek in Moorslede (Bing Maps)

Vanouds stond er, aan de huidige Passendaalsestraat, op een plaats waar tal van wegen samenkwamen (de latere belangrijke St.-Achariuswijk), een kapel, toegewijd aan St.-Acharius, bisschop van Doornik/Noyon (621-639).

St.-Acharius. Reliekbeeld in de kerk van Haspres (Noord-Frankrijk)
St.-Acharius. Reliekbeeld in de kerk van Haspres (Noord-Frankrijk)

Het is helemaal niet uitgesloten dat de H. Acharius, of een van zijn volgelingen (St.-Elooi?), tijdens zijn missioneringstochten, hier zélf een kruis heeft geplant en een kleine bidplaats ("capella") heeft opgericht Vanaf de 15de eeuw werd die kapel een belangrijk bedevaartsoord, waar St.-Acharius werd aanroepen tegen krankzinnigheid.

het ontstaan van de heerlijkheid Moorslede

Zaalhof van de kasselrij Ieper. J. Blaeu. Kaart, Kasselrij Ieper (detail), 1641.
Zaalhof van de kasselrij Ieper. J. Blaeu. Kaart, Kasselrij Ieper (detail), 1641.

De graven van Vlaanderen, vooral Arnulf I de Grote (889-965), konden min of meer standhouden tegen de invallen van de Noormannen. In het begin van de 11de eeuw herverdeelde Boudewijn IV bestuurlijk en gerechtelijk het graafschap, dat sinds de Karolingische tijd was opgesplitst in gouwen ("pagi"). De hier en daar reeds bestaande grafelijke burchten werden centra van nieuwe territoriale omschrijvingen, "kasselrijen", waar de burggraven zich vestigden. Sommige kasselrijen werden verder onderverdeeld in "ambachten".

Dorp met domein van een heerlijkheid. Simon Marmion, Vlaamse miniatuur, 1470. Londen, British Library.
Dorp met domein van een heerlijkheid. Simon Marmion, Vlaamse miniatuur, 1470. Londen, British Library.

Binnen elke kasselrij waren er kleinere "heerlijkheden", de locale bestuursvormen binnen de middeleeuwse feodale gezagsstructuren. De centrale persoon van zo'n heerlijkheid was de heer ("dominus"), die fungeerde als leenman van een hogere heer, die op zijn beurt als leenman optrad namens de graaf. Veel heerlijkheden waren in handen van de adel of van steden. De heer, later bijgestaan door een baljuw (een soort politiecommissaris), gaf een deel van de gronden binnen zijn heerlijkheid in leen, het andere deel gaf hij uit tegen een jaarlijkse rente ("cijns"). Zo ontstond, door het rooien van bossen en door het samenvoegen van bestaande kleine akkertjes een groot herenhof in het dorp. Dat was in Moorslede niet anders.

Het kasteel van de Heerlijkheid van Moorslede. J. Blaeu. Kaart, Kasselrij Ieper (detail), 1641.
Het kasteel van de heerlijkheid van Moorslede, met rechtsonder de toren van de St.-Martinuskerk.
J. Blaeu. Kaart, Kasselrij Ieper (detail), 1641.

In een oorkonde van 1151 is voor het eerst sprake van een heer van Moorslede, een zekere Henricus, seneschalk van Morselede. Een "seneschalk" was een hoge fuctionaris, namens de graaf belast met het financieel beheer (vooral het innen van belastingen) en met militaire en juridische zaken (zoals grafelijke rechtspraak). De heerlijkheid van Moorslede behoorde vanaf de 14de eeuw tot de kasselrij Ieper (Oost-Ieper-Ambacht).

Reconstructie-tekening van een 11de-eeuws dorp met heerlijkheid
Reconstructie-tekening van een Vlaams dorp in de 11de eeuw.

De heer van Moorslede had dus mede zitting in de kasselrij in het Zaalhof in Ieper. Zijn heerlijkheid omvatte toen gronden tot in Nieuwkerke en Ardooie en had een totale oppervlakte van een kleine 125 ha., dat is 1/23ste van het Moorslede van vóór de gemeentefusies van 1977. Er bevonden zich in Moorslede nog (gedeelten van) andere heerlijkheden: die van Slyps, Watermeulen en Strooiboom. Rond 1700 zal de heerlijkheid Moorslede in het bezit van de heren van Dadizele komen.

het ontstaan van de parochie Moorslede

Zomer in het dorp. Abel Grimmer, 1607. Antwerpen, Mus. Schone Kunsten.
Zomer in het dorp. Abel Grimmer, 1607. Antwerpen, Museum voor Schone Kunsten.

Vermoedelijk al in de 2de helft van de 10de eeuw werden in het graafschap Vlaanderen de parochies geografisch afgebakend, waarbij vooral natuurlijke grenzen (waterlopen, wegen) werden gebruikt om grensgeschillen te vermijden. Zo ontstond de parochie Moorslede, min of meer opgesloten binnen een vierkant, gevormd door de Heulebeek (aan de grens met Dadizele), de Papelandbeek (grenzend aan Ledegem), de Galgestraat (palend aan Rumbeke) en de Keiberg (aan de grens met Beselare en Passendale). Die grenzen stonden los van de latere afbakening van de heerlijkheden in Moorslede.

Het is niet duidelijk wanneer de eerste St.-Martinuskerk in Moorslede werd gebouwd. Volgens R. Houthaeve kunnen kerken in Vlaanderen, die naar de H. Martinus zijn genoemd, zelfs teruggaan tot de tijd van de eerste kerstening (7de eeuw). De Merovingische, Frankische en Karolingische koningen lieten namelijk op hun kroondomeinen kerken bouwen, toegewijd aan de toen populairste heilige van westelijk Europa: de 4de-eeuw bisschop Martinus van Tours, in onze streken algemeen bekend en vereerd onder de naam St.-Maarten.

De H. Martinus, afgebeeld als romeins soldaat, geeft de helft van zijn mantel weg aan een bedelaar. A. Van Dyck, 1618. Zaventem, St.-Martinuskerk.
De romeinse soldaat H. Martinus schenkt de helft van zijn mantel aan een
bedelaar. A. Van Dyck, 1618. Zaventem, St.-Martinuskerk.

Wanneer de vorsten ten strijde trokken droegen ze de "cappa", (een stuk van) de mantel van de H. Martinus, mee als kostbare beschermende reliek in een tent ("capella"), toevertrouwd aan de zorgen van een "capellanus" (= kapelaan). Het woord "capella" is dan stilaan gebruikt voor elk eenvoudig kerkgebouwtje of kapel, waarin een reliek van St.-Maarten werd bewaard en vereerd, en waaraan een geestelijke (kapelaan) was verbonden voor de eredienst. Geen wonder dat de eerste Gallische missionarissen in onze streken, zoals St. Acharius, St.-Elooi en St.-Amandus, de naam van deze heilige als schutspatroon hebben verbonden aan veel oude kapellen. In het huidig bisdom Brugge alléén al zijn er 21 St.-Martinuskerken!

Reconstructie-tekening van een laat-middeleeuwse heerlijkheid.
Reconstructie-tekening van een laat-middeleeuwse heerlijkheid.

Het was de primitieve St.-Martinuskapel, staande op het domein van de heer, die uitgroeide tot de parochiekerk ("altare") van Moorslede. Ofwel bouwde de heer zélf de nieuwe kerk, ofwel stond hij een stuk grond af aan de kerkleiding, om er het bedehuis op te trekken. Die eerste parochiekerk van Moorslede was allicht een simpel romaans gebouw met geringe afmetingen, opgetrokken met ter plaatse beschikbare materialen. Daarnaast stond een behuizing voor de pastoor, die uit de zogeheten "pastorele tienden" zijn inkomsten haalde. In de late Middeleeuwen bestonden er in Moorslede nog 3 andere gebedshuizen: de reeds vermelde St.-Achariuskapel, de kapel op het domein van de Heer van Slyp (in het gehucht Slyps, nu Slypskapelle) en de kapel van het Gasthuis Ten Bunderen.

Oorkonde waarin bisschop Everhard van Doornik de Moorsleedse kerk schenkt aan zijn kapittel van kanunniken. Doornik, Kathedraalarchief. Cartularium C.
Oorkonde waarin bisschop Everhard van Doornik de Moorsleedse kerk schenkt aan zijn kapittel
van kanunniken. Doornik, Kathedraalarchief. Cartularium C.

In 1188 plaatste Everhard van Avesnes, de bisschop van Doornik, de St.-Martinuskerk van Moorslede onder het patronaat van het kapittel van kanunniken, verbonden aan zijn O.-L.-Vrouwkathedraal. Het kapittel zou dit patronaatschap behouden tot de Franse revolutie aan het einde van de 18de eeuw. Tegelijk gaf de bisschop aan de kanunniken het recht om de parochie Moorslede door henzelf of door een plaatsvervanger te laten bedienen.

In de 1ste helft van de 13de eeuw werd de St.-Martinuskerk herbouwd in gotische stijl. Het is pas van die tijd dat in documenten de eerste namen worden aangetroffen van parochiepriesters in Moorslede.

Aan een tafel achterin de kerk delen de dismeesters, na de mis, eten uit aan de armen van het dorp. Miniatuur, 1436
Aan een tafel achterin de kerk delen de dismeesters, na de mis,
eten uit aan de armen van het dorp. Miniatuur, 1436

De Zusters van Ten Bunderen waren niet de enigen in Moorslede die zich inlieten met liefdadigheidswerk. Zoals in elke parochie was er een armendis ("Tafel van de H.-Geest"), een beetje de voorloper van het huidige O.C.M.W., die geregeld (vooral bij jaarlijkse fondatiemissen) steun verleende aan de plaatselijke armen en hulpbehoevenden, dus NIET aan vreemdelingen of passanten, zoals bij het Gasthuis. Die hulp bestond vooral uit het verdelen van eetwaren, kledij en brandhout. Soms werd ook geld gegeven. De armendis - die leefde van omhalingen, pachten, accijnzen en renten - hield zich ook bezig met de uitbesteding van weeskinderen en vondelingen, de betaling van onderwijs van arme kinderen, de zorg voor bejaarden en zieken, enz.

Het genadebeeld van Maria in het bedevaartsoord Dadizele.
Het genadebeeld van Maria in het populaire bedevaartsoord Dadizele.

Vanaf de 14de eeuw onderging Moorslede de invloed van het bekende naburige O.-L.-V.-bedevaartsoord Dadizele. Het mirakuleus Mariabeeldje in de 12de eeuwse kerk, trok bedevaarders aan uit alle uithoeken van Vlaanderen. De pelgrims die van ver kwamen, konden onderdak vinden in het Gasthuis ten Bunderen.

In 1555 werd de parochiekerk van Moorslede herbouwd in gotische stijl met lichtgele bakstenen. Reeds 11 jaar later, tijdens de Beeldenstorm van 1566, werden de kerk en het Gasthuis Ten Bunderen door de Geuzen in brand gestoken en verwoest. En nadat de Waalse katholieke "Malcontenten" in 1578 de stad Menen hadden veroverd, wreekten de verjaagde Calvinistische Schotse huurlingen zich op alle omliggende dorpen. Ze vernielden wat er nog overbleef van de parochiekerk en van het Gasthuis Ten Bunderen. De gasthuiszusters vluchtten toen definitief naar Rijsel en St.-Omaars. Na de Geuzentijd werd de St.-Martinuskerk heropgebouwd en zou min of meer zo bewaard blijven tot de verwoesting van Moorslede tijdens Wereldoorlog I (1914-18)

II. het bisdom Doornik

de imposante romaans-gotische kathedraal van Doornik in 1720
de imposante romaans-gotische kathedraal van Doornik in 1720

de voorgeschiedenis (1ste eeuw v.Chr.- 249 n.Chr.)

In de periode van het Gasthuis Ten Bunderen (vanaf circa 1269 tot 1559) was de parochie Moorslede, en dus ook de communauteit van zusters, afhankelijk van het toenmalige bisdom Doornik, binnen het aartsdiaconaat Gent, dekenaat Neerwaasten. Het bisdom had een lange voorgeschiedenis.

De Romeinse provincie Belgica, opgesplist in Belgica Prima en Belgica Secunda
De Noord-Gallische Romeinse provincie Belgica, met "Belgica Prima" en "Belgica Secunda"

Doornik - na Tongeren de oudste stad van ons land - was al in de 1ste eeuw v.Chr. een Romeinse nederzetting met de naam Turnacum, een van de belangrijkste van de provincie "Gallia Belgica" in Noord-Gallië. In 297, onder keizer Diocletianus, werd "Gallia Belgica" onderverdeeld in

  • "Belgica Prima" in het oosten, met Trier als hoofdplaats.
  • "Belgica Secunda" in het westen, met als hoofdstad Reims, en belangrijke nederzettingen in o.m. Doornik, Kamerijk, Terwaan, Atrecht, Bavai, Soissons, Amiens, enz.

de kerstening van Doornik (249-486)

Graftombe van de H. Piatus. Seclin, collegiale kerk St.-Piat
Graftombe van de H. Piatus. (Seclin, crypte van de collegiale kerk St.-Piat)

In de 2de helft van de 3de eeuw na Chr. werd de streek rond Doornik gekerstend door de missionaris St.-Piatus. Hij zou zich in het jaar 249 in Doornik hebben gevestigd en bekeringswerk hebben verricht tot hij, in 286, onder keizer Maximianus de marteldood stierf. Hij is de beschermheilige van Doornik en de patroonheilige van een van de kerken in de stad. Zijn graftombe bevindt zich in de collegiale kerk van het Noord-Franse Seclin.

Het doopsel van de merovingische koning Clovis in 497 door de bisschop<br> van Reims, de H. Remigius. De Meester van St. Gillis, 1500 (Washington, National Gallery of Art)
Het doopsel van de merovingische koning Clovis in 497 door de bisschop
van Reims, de H. Remigius. De Meester van St. Gillis, 1500.
(Washington, National Gallery of Art)

Rond 432 viel Doornik in handen van de Salische Franken. De opeenvolgende Merovingische vorsten Merovech, Childerik I en Clovis I maakten er hun koninklijke hoofdstad van. Clovis I slaagde erin om zijn rijk uit te breiden tot héél Gallië (ruwweg het huidige Frankrijk). In 496 liet hij zich dopen in de kathedraal van Reims door de H. Remigius, bisschop van Reims (van 449 tot 533), en maakte het christendom tot staatsgodsdienst van het Frankische Rijk. De H. Remigius kon nu de kerkstructuren uitbouwen in héél noordelijk Gallië.

Reliekschrijn (1247) van St.-Eleutherius, 1ste bisschop van Doornik. Doornik, kathedraal, schatkamer
Reliekschrijn van St.-Eleutherius, 1ste bisschop van Doornik. Doornik, kathedraal, schatkamer

de stichting en uitbouw van het bisdom Doornik (486-1559)

In 486 verlegde koning Clovis I zijn machtscentrum van Doornik naar Soissons. Maar de rol van Doornik was daarmee niet uitgespeeld. Bij zijn vertrek maakte Clovis de stad tot zetel van een nieuw bisdom, dat het hele toenmalige Vlaanderen bestreek. De Doornikse graaf Eleutherius werd tot eerste bisschop gewijd door de H. Remigius, bisschop van Reims. Omstreeks het jaar 500 gaf bisschop Eleutherius de opdracht tot de bouw van een eerste kathedraal.

Beeld van de H. Medardus. Saint-Médard d'Eyrans (bij Bordeaux)
Beeld van de H. Medardus. Saint-Médard d'Eyrans (nabij Bordeaux).

De H. Medardus, in 530 bisschop benoemd van het (militair kwetsbaar) stadje Vermand bij St.-Quentin, verplaatste zijn bisschopszetel naar Noyon. Het daaropvolgend jaar overleed de Doornikse bisschop Eleutherius. In 532 werd Medardus, op aandringen van koning Chlotarius I én van de plaatselijke bevolking, tegelijk bisschop van Noyon én Doornik benoemd door paus Hormisdas.

Het aartsbisdom Reims met 12 bisdommen, o.m. het diocees Doornik, verbonden met dat van Noyon tot 1146.
Het aartsbisdom Reims met 12 bisdommen, o.m. het diocees Doornik,
verbonden met dat van Noyon tussen 626 en 1146.

Omstreeks het jaar 626 werd het bisdom Doornik effectief verenigd met het bisdom Noyon. Aan het hoofd van dit dubbelbisdom stond de H. Acharius (626-639). Hij was, net zoals zijn opvolger St. Elooi (640-660) en de H. Amandus, een fervente verspreider van het christendom in onze gewesten. Acharius resideerde meestal in Noyon, maar Doornik behield zijn eigen administratie, kathedraal en "presbyterium" van clerici, dat in de Karolingische tijd zou uitgroeien tot het kathedraalkapittel van reguliere kanunniken.

Paus Eugenius III, die in 1146 van Doornik opnieuw een autonoom bisdom maakte.
Paus Eugenius III, die van Doornik opnieuw een autonoom bisdom maakte.

Na decennialang aandringen van de kanunniken, hierbij gesteund door de H. Bernardus van Clairvaux, werd in 1146 het bisdom Doornik door paus Eugenius III definitief losgehaakt van Noyon en kreeg Doornik opnieuw zijn eigen bisschop. In de periode van het Gasthuis ten Bunderen (vanaf circa 1269) was het bisdom Doornik zéér uitgestrekt en omvatte een groot deel van het toenmalig graafschap Vlaanderen en een deel van Noord-Frankrijk.


Het bisdom Doornik van 1146 tot 1559. Moorslede (met rode stip) ligt binnen het
aartsdiaconaat Gent, in het decenaat Roeselare (nr. 7)

Lange tijd beheerste één enkele aartsdiaken dit uitgestrekte gebied. In 1146 waren er twee (Doornik en Vlaanderen). Vanaf 1272 werd het aartsdiakonaat Vlaanderen opgesplitst (Brugge en Gent) en waren er dus 3 aartsdiakonaten. Deze bestonden uit eerst 10 (1290), dan 11 (1331) en tenslotte 12 dekenaten (1369), met aan het hoofd van elk dekenaat een "deken van de christenheid".

Kaart van het oude dekenaat Roeselare, waarvan de parochie Moorslede deel uitmaakte.
Het oude dekenaat Roeselare, waarvan de parochie Moorslede tot 1559 deel uitmaakte.
Kaart (detail) van het oude bisdom Doornik, naar een register van 1330.

  • het aartsdiakonaat Doornik, met de dekenaten Doornik, Helchin, Kortrijk, Rijsel en Seclin.
  • het aartsdiakonaat Gent, met de dekenaten Gent, Roeselare, Oudenaarde en Waes.
  • het aartsdiakonaat Brugge, met de dekenaten Brugge, Oudenburg en Aardenburg.

Het Gasthuis ten Bunderen in de kerkstructuur van 1146 tot 1559
Het Gasthuis ten Bunderen in de kerkelijke structuur van 1146 tot 1559

Deze diocesane structuur had tal van nadelen: de kerkelijke indeling lag dwars over de staatsgrenzen; het rijke graafschap Vlaanderen had geen eigen bisdom; het centraal bestuur in Doornik was de taal niet machtig van dit uitgestrekt gebied; er waren problemen bij de uitoefening van de bisschoppelijke rechstpraak en tenslotte verliepen de contacten moeizaam tussen de bisschoppelijke curie en de diocesane clerus en de gelovigen.

Moorslede onder het bisdom Ieper (1559-1801)

Het bisdom Doornik na 1559. Moorslede is aangeduid met een rode stip, binnen het nieuwe bisdom Ieper, in het decenaat Neerwaasten.
Het bisdom Doornik na 1559. Moorslede is aangeduid met een rode stip, binnen het nieuwe bisdom Ieper,
in het decenaat Neerwaasten.

Met zijn bul "Super Universas" voerde Paus Paulus IV in 1559 een grondige herschikking van de bisdommen door in de toenmalige Habsburgse Nederlanden (= een gebied dat ongeveer samenvalt met het huidige België, Nederland, Luxemburg en Noord-Frankrijk). De Zeventien Provinciën werden onderverdeeld in 3 aartsbisdommen: Utrecht, Mechelen en Kamerijk, die samen 18 (waaronder 12 nieuwe!) bisdommen omvatten. Die grondige reorganisatie van de kerkstructuren kwam er op verzoek van de Spaanse koning Filips II, om succesvoller de opmars te stuiten van het protestantisme in onze streken.

De 4 bisdommen die West-Vlaanderen bestrijken tussen 1559 en 1802
Vanaf 1559 tot 1802 was het grondgebied West-Vlaanderen verdeeld over 4 bisdommen.
Moorslede behoort tot het bisdom Ieper, in de dekenij Neerwaasten

Het oude bisdom Doornik werd opgesplitst en verloor zowat 2/3 van zijn grondgebied. Enkel met een 14-tal parochies rond Kortrijk behield het bisdom Doornik nog wat Vlaams grondgebied. De noordelijk gelegen aartsdiakonaten van Brugge en van Gent werden nieuwe zelfstandige bisdommen. In de Westhoek werd de parochie Moorslede (inclusief het Gasthuis Ten Bunderen), samen met 5 andere, losgekoppeld van het bisdom Doornik en van het decanaat Roeselare en werd bij het nieuwe bisdom Ieper gevoegd. Moorslede maakte voortaan deel uit van het decanaat Neerwaasten (= het huidige Bas-Warneton, deel van Komen-Comines).

Het Gasthuis ten Bunderen in de kerkstructuur van 1559 tot 1802
Het Gasthuis ten Bunderen in de kerkstructuur vanaf 1559 tot 1802

In het Beitemse gehucht "Duizendzinnen", bij een gelijknamig café, stond zeker vanaf 1605 tot het einde van de vorige eeuw een arduinen paal, waar de grenzen van de diocesen Doornik (Ledegem), Brugge (Rumbeke) en Ieper (Moorslede) mekaar raakten, en die dus een soort van "drie-bisdommen-punt" vormde (zie de blauwe stip op bovenstaande kaart). De omliggende "Paelsteenbusschen" werden zelfs naar deze grenspaal genoemd.

Moorslede onder het bisdom Gent (1801-1834)

Paus Pius VII, die in 1801 de bisdommen herschikte. Thomas Lawrence, 1819. Windsor Castle, Koninklijke Collectie
Paus Pius VII, die in 1801 de bisdommen herschikte. Thomas Lawrence, 1819.
Windsor Castle, Koninklijke Collectie

Vanaf de vlucht van de Zusters uit Moorslede, in 1578, lagen de achtergelaten gebouwen van het Gasthuis ten Bunderen binnen de grenzen van het bisdom Ieper, tot het Concordaat tussen de H. Stoel en de Franse keizer Napoleon Bonaparte in 1801. In dat jaar vaardigde paus Pius VII met zijn bul "Qui Christi Domini een nieuwe kerkelijke indeling uit (rekening houdend met de grenzen van de recent gecreëerde departementen tijdens de Franse Revolutie). De bisdommen Ieper (nooit heropgericht) en Brugge werden opgeheven en toegevoegd aan het bisdom Gent. Dit diocees kwam overeen met de departementen van Leie en Schelde. De parochie Moorslede, inclusief het vroegere Gasthuis, verhuisde dus van het afgeschafte bisdom Ieper naar het bisdom Gent.

Moorslede onder het bisdom Brugge (sinds 1834)

Kaart van het huidig bisdom Brugge, met een overzicht van de dekenaten
Kaart van het huidig bisdom Brugge, met een overzicht van de dekenaten

Na de Belgische onafhankelijkheid volgde in ons land in 1834 een herschikking van de bisdommen volgens de nieuwe provinciegrenzen. Voor West-Vlaanderen werd het bisdom Brugge heropgericht, waarvan de parochie Moorslede sindsdien deel uitmaakt. Heden ten dage spreekt men van de parochie-federatie Moorslede (Moorslede-Dadizele-Slypskapelle), behorend tot het dekenaat Menen.

De plaats van het verdwenen Gasthuis ten Bunderen (bij de blauwe stip), binnen de grenzen van de huidige St. Godelieveparochie van Beitem
De plaats van het verdwenen Gasthuis ten Bunderen (bij de blauwe stip), nu gelegen binnen de grenzen
van de St.-Godelieveparochie van Beitem.

De plek van het vroegere Gasthuis Ten Bunderen bevindt zich nog steeds op het grondgebied van de gemeente Moorslede, maar ligt sinds 1889 binnen de St.-Godelieveparochie van Beitem (parochie-federatie Rumbeke), die valt onder het dekenaat Roeselare.

De St.-Martinuskerk van Moorslede nu
De Sint Martinuskerk van Moorslede nu

© Copyright 2007- . Alle rechten voorbehouden. Contact: Wim Wylin