grondplan van het Gasthuis Ten Bunderen in de 14de eeuw, aan de hand van de beschrijving ervan in het "'Jaer-boek" van priorin A. De Wilde (1781), getekend door Zr M.-P. Barbaix
Het Gasthuis Ten Bunderen stond ooit in "de Tuimelare"-wijk, op de hoek van de huidige Moorsleedse Oude Heirwegstraat en Ten Bunderenstraat, schuin tegenover de Knaagreepstraat. Op de Tuimelare-hoek bevonden zich de meest vruchtbare gronden van Moorslede, waar men alle soorten gewassen kon telen, zoals tarwe, rogge, haver, aardappelen, bieten, vlas, tabak, enz. Dus mag men aannemen dat zich mettertijd een kleine woonkern met aardewegen vormde in de buurt van het Gasthuis.
Het Gasthuis bevond zich, ter hoogte van het huidige Beitem, langs de belangrijke leger-, handel- en pelgrimsweg Brugge-Torhout-Roeselare-Menen-Rijsel. Het klooster was omgeven door onherbergzame wouden, zoals
het hoogstammig "Veldt-Bosch", dat zich noordwaarts uitstrekte op het grondgebied van Moorslede tot een eind over de huidige Galgestraat, en oostwaarts tot ver over de heirweg Roeselare-Menen, op het grondgebied van het huidige Beitem
en het kleinere "Knaegreepbosch" (waarvan de naam van de huidige Knaagreepstraat is afgeleid) ten westen, in de richting van Moorslede.
Hoe zag het grondplan eruit? Het kloosterdomein had een oppervlakte van één bunder (= ongeveer 1 hectare), omgeven door diepe wallen, zoals gebruikelijk in de Middeleeuwen. Volgens de kloosterkronieken van priorin De Wilde, was het domein opgedeeld in 4 percelen, op hun beurt van elkaar gescheiden door grachten. Deze vier "eilandjes" bleven toch onderling met mekaar verbonden via primitieve bruggetjes. Schematisch moet het er in die beginperiode ongeveer hebben uitgezien zoals op de tekening hierboven:
zo zou het oude Gasthuis Ten Bunderen er in de middeleeuwen hebben uitgezien
Langs de noordelijke wal van het domein, liep een smalle aardeweg, de Molenweg, die - ter hoogte van de huidige Meensesteenweg - omhoog naar het zuiden en leidde naar de "Assel-Molen" (op een leen van de Heerlijkheid "Ter Hassele" in het gehucht St-Pieter, op het grondgebied Ledegem), die volledige werd vernield tijdens Wereldoorlog I. De toegang van de heirweg links tot de Molenweg werd afgesloten met een "balie" (= houten hekken) om ossespannen en karren met paard de toegang te ontzeggen. Alleen wandelaars en de boeren uit de omtrek, die hun graan zélf sjouwden naar de molen, mochten van dit binnenpad gebruik maken.
Het meest oostelijk gelegen eiland (boven rechts op de tekening) was een "mote" (= verhevenheid), waarop het kloostergebouwtje stond, met ernaast een boomgaard. Op deze mote waren er ook nog stallen en een schuur voor de berging van het graan, het vee en de trekwagens. Aan de noordkant was een brug over de omwalling die, vanuit de Molenweg, rechtsreeks toegang verleende tot het klooster. Naast de boomgaard, ten oosten van het kloosterdomein, ontsprong (in het "Bierkenland") de "Riebeke", de huidige Godelievebeek, die vloeit naar de Babillebeek, (een bijrivier van de Mandel) die op haar beurt uitmondt in de rivier de Mandel.
Ten westen ervan (boven links op de tekening) was een eiland met een tweede mote, die paalde aan de Heerweg. Daarop was het eigenlijke "gasthuis" gebouwd, dat de pelgrims, vanuit de Molenweg, via een ingangsbrug over de buitenwal van het domein, konden bereiken. Op deze mote stond ook nog een hoenderhok. In 1330 werd op deze westelijke mote een kleine kapel ("capella") én bijhorende "kapelanij" (= huis voor de kapelaan) opgetrokken. Alles wijst erop dat die kapelaan niet voltijds verbonden is geweest aan het hospitaal. De kapel van het Gasthuis was een van de 4 bidplaatsen in Moorslede, naast de parochiekerk St.-Martinus, de St.-Achariuskapel en de kapel in Slyps.
Een zuidelijker strook grond werd gebruikt als akkerland.
Eronder lag een langwerpige moestuin.
Twee rode bolletjes duiden het Gasthuis ten Bunderen en ook de windmolen van Ledegem, waar de Molenweg vanaf het Gasthuis naartoe leidde. (Joan Blaeu. kaart van het bisdom Ieper. 1662)