[<< vorige] Benedictijnen | Cisterciënsers | Norbertijnen | [volgende >>]

luchtfoto van de cisterciënserabdij van Senanque (Frankrijk, Provence)

luchtfoto van de cisterciënserabdij van Fontfroide (Frankrijk, Aude)
Als reactie op de weelderige pracht van de Benedictijnerabdijen waren de cistercienserkloosters veel strakker en soberder van vormgeving en versiering.
Tot in de 11de eeuw volgden praktisch alle kloosters in West- Europa de Regel van Benedictus. Dit gold ook voor de oudste kloosters in het huidige België, zoals de Sint-Pieter en de Sint-Baafs te Gent en de abdij van Sint-Truiden. Ook de oudste kloosters in Nederland, die weliswaar later ontstonden, behoorden tot de benedictijnerorde. Voorbeelden zijn het klooster van Susteren (gesticht in 714), Thorn (gesticht in 992) en Egmond (gesticht in het midden van de 10de eeuw).
Bij de vroege kloosterstichtingen waren locale machthebbers nauw betrokken. Zo onderhielden bijvoorbeeld het klooster van Egmond en dat van Rijnsburg (gesticht in 1133) nauwe contacten met de graven van Holland. In beide kloosters hebben leden van het Hollandse grafelijk huis hun laatste rustplaats gevonden. Ook traden veel kinderen uit adellijke families tot de kloosterordes toe. Op deze wijze voorkwamen de families dat hun bezittingen bij een erfenis verdeeld werden onder verschillende erfgenamen. Bij intrede van een van de adellijke familieleden werden aan het klooster vaak schenkingen gedaan - in de vorm van geld, grond of onroerend goed. Een klooster kon ook nog andere bronnen van inkomsten hebben. De kloosterlingen baden tegen betaling voor het zieleheil van overledenen en het welzijn van hun begunstigers. De benedictijnen ontvingen ook wel giften van andere gelovigen, die zo aan het hellevuur dachten te ontkomen.
Neergang Benedictijnen
Het resultaat van dit alles was dat vele benedictijnenkloosters in de loop der tijd schatrijk werden. Kostbare kunstwerken sierden het interieur en verscheidene kloosters hielden er een aristocratische levenswijze op na. "Er wordt zo verfijnd gekookt dat ze vijf gangen aankunnen", schrijft Bernardus van Clairvaux over het benedictijnenklooster Cluny. Hij vervolgt: "... en dan de kleren. Dat is geen bescherming meer tegen naaktheid en koude, maar pure versiering." (Citaat ontleend aan: Rijksmuseum 1984). Met Bernardus van Clairvaux vonden ook anderen dat door de rijkdom een geestelijke verslapping binnen de orde was opgetreden. Als reactie op de uitbundige levensstijl van de benedictijnen ontstonden aan het einde van de 11de eeuw en in de loop van de 12de eeuw drie nieuwe kloosterorden: de kartuizers, de cisterciënzers en de augustijnerkanunniken.
Opvolgers Benedictijnen. Cisterciënzers
Een van de eerste nieuwe orden is die van de kartuizers. Deze orde kwam voort uit de vestiging van een kluizenaarsgemeenschap die al in 1083 gesticht was door Bruno van Keulen in La Grande Chartreuse, bij het Zwitserse Grenoble. De strenge, geïsoleerde levenswijze die de kartuizers erop nahielden, was niet voor iedereen geschikt. Daarom stichtte Robert van Molesmes, na een mislukt experiment om als kluizenaar te leven, in 1098 een klooster te CŒteaux bij Dijon. Dit klooster werd de bakermat van een nieuwe orde: die van de cistercinzers. Vooral onder abt Bernardus van Clairvaux (1090-1153) kwam deze orde tot grote bloei.
De cisterciënzers volgden weliswaar de Regel van Benedictus, maar trachtten deze in een meer 'letterlijke' zin na te leven en legden de nadruk op het armoede-ideaal. De sobere levenswijze werd gestalte gegeven door giften aan het klooster te weigeren, behalve wanneer het woeste, onbebouwde - grond betrof. Dit laatste hing samen met het belang dat de cistercinzers hechtten aan het verrichten van lichamelijke arbeid en het streven om in afzondering en in harmonie met de natuur te leven. Zij vestigden zich dan ook meestal op enige afstand van middeleeuwse bewoningscentra, zoals steden en kastelen. De cisterciënzers hebben in grote delen van Europa veel woeste gronden ontgonnen, bedijkt en voor bebouwing geschikt gemaakt. In Nederland zijn vanaf de 12de eeuw verscheidene cistercinzerabdijen in de Friese kustgebieden te vinden. De kloosters hebben hier een grote rol gespeeld bij ontginnings- en bedijkingswerkzaamheden.
Voor het verrichten van lichamelijke arbeid schakelden de cisterciënzers lekebroeders of conversi in. Dit waren in zekere zin "tweederangs" monniken. Ze hadden de geloften afgelegd, maar geen priester en konden dus ook niet aan alle activiteiten binnen het klooster deelnemen. Wel werden ze gedwongen gehoorzaamheid aan de abt te beloven. Het aannemen van conversen is voor de ontwikkeling van de cisterciënzerorde belangrijk geweest. De norbertijnen en andere orden besloten later in navolging van de cisterciënzers ook lekebroeders- en -zusters in hun gelederen op te nemen.
De enorme groei van het aantal cisterciënzerkloosters in het begin van de 12de eeuw is voor een belangrijk deel te danken aan de uitstekende organisatie van deze orde. Hoewel de kloosters ver uiteen lagen in veelal geïsoleerde streken, bleven onderlinge band en controle gehandhaafd. Eenmaal per drie jaar ontmoetten de abten van de kloosters elkaar tijdens het Generaal Kapittel, het hoogste bestuursorgaan van de orde. Verder werd ieder klooster eens per jaar bezocht door een abt van een ander klooster. Deze visitaties waren in de eerste plaats bedoeld om te controleren of een klooster naar behoren functioneerde, maar ook om nieuwe ideeën of gezichtspunten van de ordeleiding te introduceren.
Hoewel de cisterciënzers aanvankelijk het armoede-ideaal hoog in het vaandel droegen, werden ze uiteindelijk ook rijk. De overschotten die voortkwamen uit hun ontginnings- en landbouwactiviteiten, werden gebruikt voor de aankoop van woeste gronden. Ondertussen steeg de grondprijs enorm door de groeiende bevolking, de daarmee samenhangende stijgende economische activiteiten en de vraag naar graan en landbouwgronden. De kapitaalaccumulatie die het gevolg was van de voortdurende investeringen in grond, zorgde ervoor dat de cisterciënzers rijk werden.
Als reactie op deze ontwikkelingen ging opnieuw de roep op om een nieuwe kloosterorde te stichten die de gelofte van armoede in praktijk zou brengen. Zo ontstonden in de 13de eeuw nieuwe kloosterorden, waaronder die van de franciscanen en dominicanen. Deze zogenaamde bedelorden wezen aanvankelijk elke vorm van bezit af en hielden zich met name met de prediking van het geloof bezig. In tegenstelling tot de oudere orden vestigden de bedelorden zich vooral in de opkomende steden.

plattegrond van een cisterciënserabdij

romaanse bogen in de rüine van Villers-la-Ville
Nog geheel romaans zijn het dormitorium en het kwartier van de lekebroeders in de (tot ruïne herschapen) cisterciënser-abdij van Villers-la-Ville, die dateren van het einde van de 12de eeuw.
[<< vorige] Benedictijnen | Cisterciënsers | Norbertijnen | [volgende >>]