het gewelf
Een gewelf is een gemetselde constructie die bedoeld is om overspanningen in de lucht te kunnen maken De druk van het dak wordt via het gewelf en zuilen en muren omlaag geleid. Doordat in de loop der eeuwen gewelven steeds beter de druk kunnen afleiden is het bouwen in bredere en hogere afmetingen mogelijk.

schip met vlakke houten zoldering van de St. Gertrudiskerk (1064) in Nijvel
In de 11de eeuw blijft de streek ten noorden van de Loire, inclusief de Nederlanden, lange tijd trouw aan de vlakke houten zoldering voor schip en dwarsbeuk. Krypten en apsissen waren altijd overwelfd. Maar Zuid-Frankrijk en Italië, meer vertrouwd met de romeinse gewelfbouw, streven al vanaf omstreeks het jaar 1000 naar overwelving van eerst de zijbeuken, dan van de gehele kerk, waarbij ook invloeden van Syrië en Byzantium merkbaar zijn. De gewelfbouw is op grote schaal in gebruik vanaf de 12de eeuw, met name in de grotere en middelgrote kerkgebouwen, en heeft onvermijdelijk haar weerslag op de hele architectonische vormgeving en ornamentering.
De verschillende oplossingen tot het overwelven hebben onbetwistbaar een verscheidenheid in opbouw in de hand gewerkt; het gewelfsysteem laat ook toe een aantal romaanse bouwscholen te onderscheiden. Toch zijn de opvatting, de ruimte- en volumewerking van alle romaanse gebouwen dezelfde. Grosso modo kunnen we drie soorten romaanse gewelven onderscheiden:

De 3 soorten romaanse gewelven: 1. het kruis-of graatgewelf. 2. het tongewelf. 3. het koepelgewelf
1. koepelgewelven

koepelgewelven in het schip van de kathedraal St.-Pierre in Angoulême, ca. 1125)
In sommige Zuidfranse gebieden (Périgord, Saintonge) is het schip overdekt met een reeks koepelgewelven op vierkant plan, die telkens rusten op brede, het schip overspannende dwarse gordelbogen. De overgang tussen de ronde koepel en het te overwelven vierkant gebeurt door hoekzwikken (pendentieven) in de vorm van sferische driehoeken.
2. tongewelven

doorlopend tongewelf, St. Benoît-sur-Loire, koor, 1076-1108
In zuidelijk-frankrijk gaf men de voorkeur aan tongewelven. De zijwaartse drukking van het doorlopende halfronde of spitsbogige tongewelven wordt opgevangen door het links en rechts ertegen aanleunende halve tongewelf

middenschip met bovengalerij, Clermont-Ferrand (Auvergne)
Notre-Dame-du-Port, begin 12de eeuw
- van hoge zijbeuken. vb. Poitiers, Notre-Dame-la-Grande, ca 1150
- of van galerijen boven de zijbeuken, zoals in Clermont-Ferrand
Hoewel constructief niet noodzakelijk wordt dit dit tongewelf schijnbaar versterkt door brede gordel- of moerbogen, die steunen op uit de wand springende muurbanden.
3. kruis- of graatgewelven

reeks kruisgraatgewelven in het schip van de abdijkerk van Vézelay (1120-1140)
Een derde romaans gewelf is het kruis- of graatgewelf, met twee diagonaal kruisende graten, dat veel voorkomt in Lombardije en in het Duitse Rijnland. In dit systeem wordt de dubbele drukking van het gewelf (eigen geweicht en zijwaartse druk) afgeleid naar 4 hoekpunten, die dan ook speciaal versterkt worden door brede banden aan de buitenmuur (steunberen). Eerst alleen gebruikt over kleine ruimten (crypten, zijbeuken) wordt later ook het schip overdekt met een reeks kruisgewelven, elk tussen zware gordelbogen.

kruisgewelf in het schip van Anzy-le-Duc (eind 11de begin 12de eeuw)
- In Zuid-Frankrijk en Noord-Italië verraden de oudste kruisgewelven een beïnvloeding door de koepelbouw: het middelpunt ligt hoger dan de gordelbogen.
- In Lotharingen kwam in de 12de eeuw een sterk gebonden bouwsysteem tot stand met een verhouding van: 1 - 2 - 1. Aan elk groot vierkant van het schip beantwoordden dus 2 kleine vierkanten van de half zo brede zijbeuk. Dit kwam tot uiting in de steunen die de schipmuur dragen: tussen twee zware pijlers komt een lichtere zuil (steunenwissel ofwel alternerend stelsel genoemd).
- In Normandie zal, vanaf de 2de helft van de 12de eeuw, uit het romaanse kruisgewelf geleidelijk het gotisch ribbengewelf worden geboren.