
fragment uit de cyclus van de H. Stefanus (12de eeuw). Le Mans, kathedraal St.-Julien
Origineel in het Romaanse westen is de kunst van de gebrandschilderde glasramen in lood. Het einde van de Romaanse periode wordt hier mee aangegeven. In de zware muren, geschikt voor de schilderkunst (fresco's), maken plaats voor een licht systeem van pijlers en grotere ramen.

de oudst bekende romaanse glasramen: de profeten Daniel, Hosea en David. Dom van Augsburg (rond 1060)
Voor deze monumentale kunst wordt gestreefd naar een rijkgeschakeerde vlakverdeling met diepe, meestal wat harde kleuren (vooral blauw, rood en groen). Grote ramen worden verdeeld in kleine geometrische velden (cirkel, ruit, vierpas). Taferelen wisselen af met zuiver decoratieve panelen. Hoe dichter de loodzetting hoe meer kleurenrijkdom.

detail uit het verwoeste Passievenster, Saint-Denis bij Parijs
abdijkerk, kooromgang (ca.1140)

Samson met de stadspoorten van Gaza (eind 12de e.)
Glasraam afkomstig uit de abdij van Alpirsbach (Duitsland)

Jezus' kruisdood. Poitiers, kathedraal N.-D.-la-Grande, ca.1150

Passievenster (1160). Châlons en Champagne, kathedraal St.-Etienne
De loodzetting dwingt de glasschilders tot een zeer schematische tekening van de menselijke gestalte, de menselijke figuren lijken als het ware 'vastgevroren' te zijn in een patroon dat tegelijk als decoratie en als uitbeelding fungeert.

"Notre Dame de la belle Verrière" (1145, gespaard door een
brand in 1194). Chartres, kathedraal
Tijdens de laatbloei van de romaanse kunst is in de weinig overgebleven glasramen meer compositie en heldere structuur aangebracht. De beeldruimte, de figuren en de details worden scherper afgebakend. Het beeld versplintert in een mozaïekachtige kleurvlakte. Hierdoor verliest het beeldvlak diepte en vormt eigenlijk alleen maar een ornamentele achtergrond van het verhaal.