
reconstructie van de keizerlijke residentie in Aken, met rechts de nog bestaande centraal gebouwde Paltskapel
De meeste gebouwen in de karolingische tijd waren opgetrokken in hout, leem en vakwerk. Niet verwonderlijk dat ze de tand des tijds niet doorstonden. Bovendien werden ze in de loop van hun bestaan meer dan eens vernieuwd, gewoon vervangen of verwoest.

reconstructie van de keizerlijke residentie van Ingelheim
Uit de karolingische tijd zijn vrijwel uitsluitend - een beperkt aantal - stenen religieuze bouwwerken overgebleven. De weinige profane gebouwen die de tijd trotseerden zijn enkele vorstenpaleizen, ook wel paltsen of pfalzen genoemd. (Tussen haakjes: binnen zo'n vorstelijk domein stond er een klooster en een kerk). De bekendste van die keizerlijke residenties is de palts van Aken, waar Karel de grote verbleef. Soortgelijke residenties waren er ook in Ingelheim, Goslar en Nijmegen.

keizerstroon in de palzkapel van Goslar
In deze pfalzen was er een mengeling van Germaanse en zuiderse invloeden. In Ingelheim - en ook in Aken schijnt het zo geweest te zijn - werden de verschillende gebouwen gerangschikt naar Romeinse gewoonte, rond een of meer binnenhoven met portieken. De benedeverdieping werd uitgewerkt tot een complex van keukens, kelders, verblijf voor soldaten en wachters, enz.

resten van het keizerlijk hof van Ingelheim
Op de bovenverdieping was er één hallezaal, een troonzaal, wachtkamers, slaapvertrekken, badruimten en een kapel. Rond de gebouwen waren er boomgaarden, velden en tuinen. Natuurlijk werd het geheel omsloten door een sterke omheining met poortgebouw. Eigenlijk vertoonde een pfaltz qua structuur veel gelijkenis met een grote abdij.

het karolingisch deel van het Gentse Gravensteen
Een belangwekkend overblijfsel van de militaire bouwkunst uit die tijd vorden de onderste geledingen van de slottoren van het Gravensteen in Gent, gebouwd onder graaf Arnold de Oude (einde van de 9de eeuw). Het gaat om een enorme rechthoekige zaal van 25 bij 10 m (binnenzijde); de muren hebben een dikte van 2 meter en werden opgetrokken uit Doornikse kalksteen. Verscheidene haarden met schoorsteenpijp in de vorm van halfronde nissen zijn nog zichtbaar op de bovenverdieping; de kelder was slechts door schietgaten verlicht. De trap was uitgespaard in een verdikte muur. De verdiepingen (tamelijk laag) waren afgedekt met vlakke zolderingen op zware balken. Wellicht had het hele complex van het kasteel toen al zijn huidige ovale vorm, maar met een houten palissade in plaats van walmuren.