in Leefdaal |
|
startpagina
de merovingische kunst
de karolingische kunst
de romaanse kunst |
|
![]() de Dom in Speyer (Duitsland), opgericht tussen 1080 en 1100 De romaanse bouwkunst heeft een aantal algemene gemeenschappelijke kenmerken, maar vertoont tegelijk regionale varianten (vooral de overdekkingswijze) in westelijk Europa. Men kan dan ook spreken van "scholen", waarvan we hier de voornaamste afzonderlijk bespreken. duitsland![]() interieur van de Dom van Mainz (ca.1190) Het Rijnland, aanvankelijk het centrum van het Karolingische rijk, later het gebied van machtige geestelijke vorsten (o.m. de Prisbisschop van Luik), en sinds de troonsbestijging van de Frankische keizers opnieuw de rijkszetel geworden, bood een gunstige voedingsbodem voor de romaanse kunst. In de loop van de 11de en de 12de eeuw verrezen daar de keizerlijke domkerken in Spiers (Speyer), Mainz en Worms: indrukwekkende gebouwen, met dubbel koor en transept (in Speyer slechts één), koepel- en flankeertorens. Vanaf het midden van de 12de eeuw werd in die drie domkerken de gewelfbouw toegepast, onder invloed van het ribbengewelf uit Noord-Italië (Lombardije). De dom van Mainz is een van de eerste pogingen tot gewelfbouw: door een ritmische opeenvolging van traveeën werd de oud-christelijke basiliek organische geleed en werd het klassieke horizontalisme doorbroken in Germaans verticalisme. ![]() de abdijkerk van Maria-Laach (1093-1156) De gewelfbouw leidde tot een nadrukkelijker geleding van de steunen door middel van schalken en tot een rijkere stoffering van de muren, die met ruime vensters doorbroken werden. Een heerlijk voorbeeld van deze rijpe romaanse stijl is de abdijkerk van Maria-Laach (1093-1156), met haar prachtig atrium, dubbel transept en koor en rijke torencompositie. ![]() de Apostelenkerk in Keulen (11de en 12de eeuw) Vanaf 1170 tekent zich in de brede omgeving van Keulen - waar de kerken een centraliserend plan vertoonden (drieconchenplan) - een overgangsstijl af, grotendeels onder invloed van het kruisribbengewelf in de Noordfranse gotiek: rijkere geleding van de pijlers volgens de last, ruimere doorbreking van de muurmassa met vensters, blindnissen en dwerggalerijen. Tot de voornaamste monumenten van deze keulse stijl behoren o.m. de Apostelenkerk in Keulen, het munster in Bonn en de kerk in Limburg an der Lahn. Een belangrijk aandeel in de doorvoering van de gewelfbouw had ook het overigens conservatieve Westfalen, dat al vroeg zijn kerken, meestal hallenkerken (= kerken met even hoge beuken), met koepelvormige gewelven overkluisde, bijv, de Dom in Paderborn en de munster in Herford. In de rest van Duitsland heerste de aloude vlakafgedekte basiliek.
|