|
De Voer ontspringt bij een bron in het Kapucijnenbos (= een deel van het Zoniënwoud tussen Tervuren en Jezus-Eik) in Tervuren op een hoogte van ongeveer tachtig meter boven de zeespiegel. Via de vijvers van de Warande loopt ze door de dorpen Vossem, Leefdaal en Bertem naar Leuven waar zij uitmondt in de Dijle op een hoogte van circa vierentwintig meter. Een verval dus van 56 meter over een lengte van ruim 15 kilometer! Dit verval - dat in de bovenloop vrij belangrijk is - bedraagt gemiddeld vijf meter per kilometer. Vroeger was de Voer dan ook economisch belangrijk als snelle aandrijfkracht voor watermolens.
De Voer heeft als bijriviertjes enkele korte vlietjes die het water van een aantal bronnen naar de beek leiden. De afwatering van de hogergelegen landerijen gebeurt periodisch langs sloten die met de geulvormige depressies van het landschap samengaan. Het Voer-bekken, dat nagenoeg het hele grondgebied van de gemeenten Tervuren en Bertem en het westelijk deel van Leuven omvat, heeft een oppervlakte van ongeveer 5.130 hectare. Het is langgerekt van vorm met een breedte die schommelt tussen drie en vier kilometer.
 kaart van de Voervallei
De gronden in de Voervallei zijn erg beïnvloed door de mens. Men vindt er bodems zonder al te veel waterlast die nog goed geschikt zijn voor allerlei teelten. Maar er liggen vooral permanent natte gronden. Zij zijn enkel geschikt voor weide en loofhout, zoals populieren. Het dorp Leefdaal bezat eeuwenlang een "broek", dat zijn natte weiden voor gemeenschappelijk gebruik. De mens heeft in de loop der tijden op sommige plaatsen (vis)vijvers aangelegd. De diepere bodem bergt schatten. De formatie bevat een grote hoeveelheid kostbaar drinkwater. De fijne, erg kalkrijke zanden zijn weinig vruchtbaar en enkel geschikt voor wijngaarden en als grondstof voor de bouwnijverheid, maar ze bevatten drie tot vijf horizontale lagen zandsteen, die goede bouwstenen leverden in de middeleeuwen, o.m. voor de St.-Veronakapel.
De beek onderging in de loop der tijden belangrijke menselijke ingrepen: de aanleg van (vis)vijvers op sommige plaatsen, de oprichting van verschillende watermolens, een zekere kanalisatie van bepaalde trajecten en, in Leuven, de overwelving van haar bedding. Toch behoort haar loop tot de meest natuurlijke van Vlaanderen. Sommige delen van de Voervallei zijn betoverend mooi. Anderzijds is de Voer zélf een van de meest vervuilde Vlaamse beken. Pogingen om dit te verhelpen zijn altijd gestrand op betwistingen van het soort "niet in de achtertuin" die door de ingewikkelde besluitvorming in ons land tot nu toe geen oplossing kregen.
De naam "Voer" - oorspronkelijk Fura of Furo - is een wijd verspreide Germaanse waternaam (cfr. de Limburgse Voer, de Veurs, de Vurre) met een aantal afgeleide plaatsnamen, zoals Voeren, Veurne en Tervuren (= bij de Voer). In essentie betekende Fura of Furo "de glijdende", "de stromende", "de voerende", kortom "waterloop, beek".
|