|
startpagina
geografische situering
reisroute
de geschiedenis
het Steentijdperk
de Romeinse tijd
de Merovingers
de Karolingers
de Middeleeuwen
het verval (XV-XVIII e.)
de Moderne Tijd
beschrijving van de kapel
de plattegrond
de constructie
de versiering
de H. Verona
de H. Verona-legende
de H. Hubertus-legende
de verering
de Verona-wandeling
de merovingische kunst
het tijdskader
de kenmerken
de bouwkunst
de beeldhouwkunst
de miniaturen
het edelsmeedwerk
de karolingische kunst
het tijdskader
de kenmerken
de bouwkunst
- centraalbouw
- basilica-kerken
- crypten
- kloosters
- profane gebouwen
het edelsmeedwerk
de ivoorsnijkunst
de miniaturen
de muurschilderingen
de romaanse kunst
religieuze aspect
het tijdskader
de bouwkunst
- karakteristieken
- de plattegrond
- de constructie
- de versiering
- scholen in Europa
- ons land
- Maaslandgebied
- kenmerken - voorbeelden
- Scheldegebied
- kenmerken
- voorbeelden
- crypten
- kloosters
- profane gebouwen
de beeldhouwkunst
  - portalen
  - tympanen
  - kapitelen
  - bas-reliëfs
de houtskulptuur
- cultusbeelden
  - kruisbeelden
  - Maria-beelden
de ivoorsnijkunst
het metaalgietwerk
de edelsmeedkunst
  - in het maasland
  - reliekschrijnen
  - liturgie
  - boekbanden
de schilderkunst
- miniaturen
- fresco's
- houtschildering
de glasramen
de weefkunst
woordenschat
links
publicaties
|
|
| verklarende woordenlijst - S |

- sacramentarium
-
handschrift (later ook gedrukt) met de zogenaamde formuliergebeden die tijdens een mis of wijding worden uitgesproken - het in liturgisch opzicht belangrijkste handboek. De al door Gregorius de Grote uitgevaardigde teksten werden onder Karel de Grote gestandariseerd; in de begeleidende miniaturen staat de benadrukking van bepaalde initialen centraal. Tot het vaste beeldprogramma behoren, naast de kruisiging ook de Majestas Domini, scènes uit het leven van Christus en afbeeldingen van de 4 evangelisten en heiligen.
- sacristie
-
ruimte die bij een kerk hoort en meestal wordt gebruikt voor het onderbrengen van de gewaden en religieuze gebruiksvoorwerpen en waarin zich vaak een altaar bevindt. De term komt van het Latijnse woord "sacer" dat 'heilig' betekent.
- sanctuarium
-
heiligste ruimte van een kerk, nl het (priester)koor met het hoogaltaar.
- Santiago de Compostela
- stad in het Noord-Westen van Spanje (Galicië), dat tijdens de Middeleeuwen, naast Rome en Keulen, het belangrijkste bedevaartsoord was van heel Europa. Volgens een eeuwenoude legende werd daar het lichaam van de apostel Jacobus de Meerdere was gevonden. Uit heel Europa stroomden de bedevaarders, langs vaste pelgrimsroutes, naar het heiligdom van Santiago. Langs die routes werden ten behoeve van de reizigers hospitia en kerken gebouwd.
- sarcofaag
-
een monumentale stenen doodskist, niet bestemd om in de grond te worden geplaatst, maar om als monument zichtbaar te blijven. Het woord komt van het Griekse "sarx" (dat vlees betekent)en "phago" (dat eten betekent), samengetrokken dus 'mensenvleeseter'. Ze werden aanvankelijk gehouwen uit een speciale soort kalksteen in het oude Griekenland, omdat deze steensoort - naar men zei – vlees sneller in stof deed veranderen. Aan de buitenkant van de sarcofaag en het deksel zijn vaak inscripties of beeldhouwwerk aangebracht die aan de "bewoner" herinneren. In bijna alle tijden, ook in romaanse tijd, zijn op verschillende locaties sarcofagen gemaakt, ook in eenvoudige vormen.
- schacht
-
het deel tussen basement (sokkel of voetstuk) en kapiteel van een zuil, pilaster e.d.
- schalk
-
halfzuil of colonnet, waarvan het voetstuk en het kapiteel een pijler flankeren.
- scheiboog
-
boog die de middenbeuk scheidt van de zijbeuken in een kerk.
- schenkel
-
het gebogen deel van een gewelf of rondboog. Ook wel schinkel genoemd.
- schilddak
-
Dak met twee driehoekige schilden aan de smalle zijden en twee trapeziumvormige aan de lange zijden. Deze daken hebben over het algemeen een korte noklijn. De oplopende snijlijnen van de dakschilden worden hoekkeoers genoemd.
- schip
-
de langgerekte ruimte van een kerk in (meestal) west-oostrichting, zich uitstrekkend van de ingang tot de apsis of het transept. In het verlengde van het schip ligt aan de oostkant het koor en de apsis. Bij veel kerken staat tussen het schip en het koor een transept, ook wel dwarsschip of dwarsbeuk genoemd, waardoor een Latijns kruis ontstaat, de traditionele vorm van romaanse en gotische kerken. Evenwijdig aan het schip kunnen zich zijbeuken bevinden, die door arcaden van het middenschip worden gescheiden. Als deze zijbeuken ongeveer even hoog en breed zijn als het middenschip spreekt men van een hallenkerk. Eenvoudige kerken zonder dwars- en zijbeuken worden zaalkerken genoemd. Het schip vormt de romp van het kerkgebouw en is de ruimte waarin de kerkgangers plaatsnemen. Tussen de kruising, die zowel tot het schip als tot de dwarsbeuken behoort, en het koor kan zich ter afsluiting een doksaal (oksaal of koorhek) bevinden, waarachter zich het altaar bevindt. Bij sommige kerken is het schip even lang als het transept. Men spreekt dan van centraalbouw.
- scriptorium
-
de ruimte in een middeleeuws klooster of abdij waar monniken teksten en boeken overschreven en vertaalden. Afkomstig van de Latijnse term "scriptor": overschrijver, kopiïst of redacteur. Het scriptorium bevond zich doorgaans nabij of in de bibliotheek (tabularium). Een boek dat veel is gekopieerd en vertaald in scriptoria is de bijbel, met name het Nieuwe Testament (Evangeliarium). Sommige scriptoria uit de romaanse tijd ontwikkelden specifieke stijlkenmerken in de handschriftkunst en boekverluchting, zodat men van van scholen kan srpeken, zoals die van Tours, Reichenau en Keulen.
- simonie
-
handel in kerkelijke ambten, wijdingen, sacramenten en bijbehorende voorwerpen voor geld. Het woord is afkomstig van het Latijnse "simonia", van Simon de Magier (Handelingen. 8: 18-25). Tijdens de Concilies van Chalcedon (451) en Nicea (787) werd simonie verboden. In de 11de eeuw beschouwde men ook de investituur van leken op aan priesters voorbehouden kerkelijke ambten als simonie. Dit werd door paus Gregorius VII verboden en is kerkrechtelijk strafbaar.
- sluitsteen
-
de vaak plastisch vormgegeven middelste steen van een gemetselde boog, die als laatste afsluiting precies in het midden van de boog (de kruin) geplaatst wordt. Net als de aanzetstenen is de sluitsteen vaak in natuursteen uitgevoerd. Is eveneens de benaming voor de steen in de kruin van een ribbengewelf.
meestal plastisch vormgegeven steen in de kruin van een boog of gewelf. Synoniemen: slotsteen, gewelfsleutel, gewelfknop.
- sokkel
-
een verhoogd stuk steen waarop een zuil, standbeeld of beeldhouwwerk wordt geplaatst. In de gevelarchitectuur is de sokkel een hoge plint, meestal van natuursteen en voorzien van profielen, die als een soort voetstuk van de gevel fungeert.Afgeleid van het Latijnse "Socculus": schoentje. Een sokkel wordt ook wel piëdestal of voetstuk genoemd.
- spaarboog
-
boog waarmee de afstanden tussen de pijlers in een fundering worden overbrugd. De spaarboog bevindt zich dus ondergronds (of in een kelderdeel).
- spaarveld
-
uitsparing, nis of verdiept gedeelte in het muurveld, vaak gevuld met siermetselwerk.
- spanten
-
houten verticale balken van een dakgebint, ook wel spantbenen genoemd, waarop de gordingen (horizontale balken) en het dakbeschot worden geplaatst, om de hele constructie van een hellend dak stabiel te maken.
- specie
-
verzamelnaam van mengsels en bindmiddelen die gebruikt worden voor metsel- en pleisterwerk.
- spitsboog
-
wordt gevormd door twee elkaar snijdende bogen met een gelijke straal. Spitsbogen worden veelvuldig toegepast in gotische en neogotische kerken
- spolia
- (Latijn)
bouwelementen (meestal zuilschachten, kapitelen, friezen of kroonlijsten) uit oudere, verwoeste of afgebroken gebouwen, meestal van de Romeinse Oudheid, die in merovingische, karolingische en romaanse kerken en crypten opnieuw werden gebruikt.
- sporenkap
-
bij een sporenkap (ook wel spantenkap genoemd) lopen de houten balken (de sporen) van de nok tot de dakvoet, dus verticaal, waarbij de horizontale en verticale krachten uit de kapconstructie worden opgevangen door de steunpunten op de vloer of muurplaat en nok of nok-knooppunt. Bij grotere overspanningen kan het noodzakelijk zijn om een knieschot of ander tussensteunpunt toe te passen. Een sporenkap met dakschild is als volgt opgebouwd: dakafwerking, dakpannen, panlatten evenwijdig aan de nok, tengellatten loodrecht op de nok, onderdak, kepers loodrecht op de nok. Een ander type kap is de gordingkap.
- standvink
-
verticale houten steun die een moerbalk (hoofdbalk van een zolderconstructie) in of nabij het midden ondersteunt.
- statues-colonnes
-
de overslanke gebeeldhouwde figuren in vroeggotische kerkportalen, zoals de Koningsfiguren in het westportaal van Chartres, die een overgangsvorm zijn van de functionele zuil naar het geheel vrijstaande beeld.
- steekkap
-
tonvormig gewelf dat loodrecht insnijdt op de as van het (grotere) hoofdgewelf. Wordt meestal toegepast om meer lichtinval te krijgen en om grote delen van de hoofdkap minder laag te laten neerkomen.
- steektrap
-
Een trap die zonder draaiing naar boven gaat.
- stèle
-
rechtopstaande graf- of gedenksteen of gedenkzuil waarin een motief of sculptuur is uitgehouwen.
- steunbeer
-
een ver uitstekende dam of massieve zijdelingse muurverzwaring om de horizontale (= zijwaartse) druk van de hele bouwmassa (inclusief van de gewelven en de kap) beter op te vangen. Wordt ook wel contrefort genoemd.
- stijl
-
voor de wand geplaatste muurversterking in de vorm van een muraalzuil, pilaster of liseen.
- straalgewelf
-
gewelf boven een veelhoekig vlak.
- straalkapellen
-
kapellen die als een krans het koor of de kooromgang (ambulatorium) van een kerk is omgeven. Hoe groter de kerk, hoe meer straalkapellen kunnen worden aangebouwd, maar in de praktijk toch niet meer dan een vijftal. Soortgelijke kapellen worden ook soms geïntegreerd in het transept (de dwarsbeuk) van de kerk. Zie ook: absidiool; apsis.
- strek
-
verticale bovenafsluiting van een venster of deur om de druk van het muurwerk erboven op te vangen. De stenen zijn vaak enigzins straalsgewijs of in waaiervorm geplaatst en hebben zo evenzeer een decoratieve functie als een ontlastingsboog. Wanneer een strek aan de bovenzijde getrapt is, krijgt hij ook de naam van "hanekam".
- streklaag
-
laag stenen die met de lange smalle zijden zichtbaar is.
- stutafwisseling
-
afwisseling van zuil en pijler. Zie ook: alternerend stelsel; stutafwisseling; ritmische travee.
- superpositie
-
twee of meer rijen zuilen, pijlers of pilasters, boven elkaar geplaatst tegen of in de muur van een bouwwerk.
- symbool
-
een teken, waarbij geen natuurlijke relatie bestaat tussen het teken zelf en de betekenis die ermee wordt uitgedrukt. De betekenis van een symbool berust dan ook op afspraken. Wat je ziet, staat eigenlijk voor een ander begrip: het zinnebeeldige.
- symmetrie
-
ordening en proporties van een kerkgebouw die een effect van harmonie sorteren. De plattegrond van een romaanse kerk wordt bijvoorbeeld zodanig opgedeeld dat de twee helften aan beide zijden van de (oost-west) lengteas precies of ongeveer mekaars spiegelbeeld zijn.
| © Copyright 2005-2007. Alle rechten voorbehouden. Contact: Wim Wylin
|
|